Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3238
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a Wet BibobArt. 8:81 lid 1 AwbArt. 2:98 APV Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen buitenbehandelingstelling bedrijfsactiviteitenvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfsactiviteitenvergunning voor zijn eenmanszaak, maar verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens onvoldoende onderbouwing van de financiering. Verzoeker moest daardoor de exploitatie van zijn onderneming staken en verzocht om een voorlopige voorziening om de exploitatie te mogen voortzetten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker weliswaar een spoedeisend belang heeft, maar dat het bezwaar tegen het besluit naar verwachting geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker heeft niet de volledige gevraagde stukken overgelegd, zoals bankafschriften over de juiste periode en aangiften inkomstenbelasting, waardoor de herkomst van de financiering onvoldoende inzichtelijk is.

Verweerder heeft meerdere malen uitstel verleend en herinneringen gestuurd, maar de aangeleverde stukken zijn niet toereikend. Het belang van verweerder om te voorkomen dat malafide financiering wordt gebruikt weegt zwaarder dan het belang van verzoeker bij voortzetting van de onderneming.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat verzoeker de juiste en volledige stukken moet aanleveren voor de hoorzitting in bezwaar. Tot die tijd moet de onderneming gesloten blijven. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de financiering van de onderneming onvoldoende is onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3238

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [woonplaats], verzoeker

en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. K. Lafleur mr. J.J. Markerink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag van verzoeker voor een bedrijfsactiviteitenvergunning en de last onder bestuursdwang om de exploitatie van de onderneming te staken en gestaakt te houden vanaf vijf dagen na dagtekening van het besluit. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 maart 2026 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker onvoldoende gegevens heeft verstrekt. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. [handelsnaam] is een eenmanszaak en is op 1 oktober 2025 opgericht door verzoeker. Voorheen verrichte verzoeker zijn kapperswerkzaamheden vanuit een vennootschap onder firma, waarvan zijn vader de enige vennoot was. Verzoeker heeft op 3 oktober 2025 een aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning ingediend. Voordat een dergelijke vergunning kan worden verleend, voert verweerder een zogenaamde Bibobtoets uit. Daarbij dient onder meer inzicht te worden gegeven in hoe de onderneming wordt gefinancierd. [1] Omdat verzoeker de herkomst van de financiering onvoldoende transparant en inzichtelijk heeft gemaakt, heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Omdat verzoeker geen vergunning heeft, moet hij de exploitatie van zijn kapperszaak uiterlijk op 22 maart 2026 staken. Deze zaak gaat over de vraag of het verzoek van verzoeker om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, hij heeft immers meegewerkt en heeft inmiddels alle informatie verstrekt. Dat de stukken te laat zijn aangeleverd is niet het gevolg van onwil of een gebrek aan medewerking van zijn kant. Eerder was hij zich niet ten volle bewust van het belang van de gevraagde informatie, en de communicatie met zijn voormalige boekhouder verliep niet goed. Sinds maart 2026 is de volledige administratie overgenomen door een nieuwe boekhouder. De informatie is nu alsnog aangeleverd. Verzoeker licht toe dat hij de onderneming oorspronkelijk als vennootschap onder firma is gestart, met zijn vader. Zijn vader heeft de onderneming inmiddels aan hem overgedragen. De financiering is door zijn vader mogelijk gemaakt, onder meer via een lening en een hypotheek. Deze middelen zijn volledig in de onderneming geïnvesteerd, aldus verzoeker. Verzoeker wijst erop dat hij op dit moment geen inkomsten heeft en niet langer aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter daarom om het besluit te schorsen zodat hij zijn onderneming weer kan openen totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [2] Verzoeker heeft zijn onderneming moeten staken. Hij heeft toegelicht dat hij geen andere inkomsten heeft en hij op dit moment niet in staat is om zijn vaste lasten en aan andere financiële verplichtingen te voldoen. Hij heeft daartoe een overzicht van een deel van zijn vaste lasten overgelegd. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van zijn verzoek.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. De onderneming is gevestigd aan de [adres] in [plaats] en is op grond van een aanwijzingsbesluit vergunningplichtig gesteld. [3] Met deze vergunningplicht streeft verweerder ernaar een barrière op te werpen, zodat malafide ondernemers zich in het kwetsbare gebied minder makkelijk kunnen vestigen of daar minder makkelijk gevestigd kunnen blijven. Daardoor wordt de kans op bonafide ondernemers juist vergroot, de openbare orde verbeterd, en wordt een veilig ondernemersklimaat gecreëerd. Ondernemers aan de [straatnaam] moeten een vergunning aanvragen en daarbij moeten zij onder meer met stukken onderbouwen hoe zij hun onderneming hebben gefinancierd.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het in beginsel aan de aanvrager is om de aanvraag met voldoende stukken te onderbouwen. Verweerder heeft naar aanleiding van het ingevulde Bibob-formulier op 12 december 2025 gevraagd om een aanvulling van de aanvraag. Samengevat weergegeven ontbreekt volgens verweerder de volgende informatie:
  • De aangiften inkomstenbelasting over 2023 en 2024, met daarin tevens de jaarstukken van de onderneming;
  • De openingsbalans, investeringsbegroting en financieringsbegroting van de eenmanszaak;
  • De eindbalans van de vennootschap onder firma die per 4 juli 2025 is opgeheven;
  • Stukken waaruit blijkt hoe de overheveling van de vennootschap onder firma naar de eenmanszaak financieel is afgewikkeld, zoals bankafschriften inzake de uitkoop;
  • De volledige bankafschriften over de periode vanaf 1 augustus 2025 tot en met 1 november 2025, zodat kan worden vastgesteld hoe de overname is gefinancierd;
  • Een toelichting op waarom verzoeker uitsluitend bankafschriften van zijn vader heeft overgelegd.
6.2.
Daarbij is benoemd dat als de aanvraag niet zou worden aangevuld, de aanvraag buiten behandeling zou worden gesteld. Verweerder heeft op 30 december 2025 een herinnering verstuurd en meermaals uitstel verleend, uiteindelijk tot 10 maart 2026. Omdat daarna geen aanvullende stukken zijn overgelegd, heeft verweerder de aanvraag redelijkerwijs buiten behandeling mogen stellen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker in zoverre geen redelijke kans van slagen heeft.
6.3.
Nadat verweerder heeft besloten om de aanvraag buiten behandeling te stellen, heeft de nieuwe boekhouder van verzoeker alsnog stukken overgelegd. Verweerder heeft echter te kennen gegeven dat de aanvraag ook met deze stukken nog altijd incompleet is. Er zijn uitsluitend bankafschriften van de zakelijke rekening overgelegd, over de periode vanaf 14 oktober 2025 tot en met 31 december 2025. Dit terwijl is gevraagd om de volledige bankafschriften over een andere periode. Dit wil zeggen niet alleen de zakelijk afschriften, maar ook die van de privérekening, over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 1 november 2025. De afschriften die wel zijn overgelegd roepen volgens verweerder vragen op. Ook de aangiften voor de inkomstenbelasting roepen vragen op. Deze zijn bovendien nog niet ingediend bij de Belastingdienst. De vragen die verweerder heeft, zijn nog steeds niet door verzoeker beantwoord en met schriftelijke stukken onderbouwd. Gelet hierop kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat verzoeker de herkomst van de financiering van de onderneming nog altijd niet (met schriftelijke stukken) heeft onderbouwd en er niet is geslaagd om de herkomst van de financiën inzichtelijk te maken. Verweerder verwijst terecht ter vergelijking naar twee uitspraken van de voorzieningenrechter. [4] Anders dan in deze zaak ging het in die zaken om een supermarkt, maar net als in deze zaak waren die ondernemingen vergunningplichtig en had de ondernemer onvoldoende informatie verstrekt. Het belang van verweerder om te kunnen beoordelen of kan worden uitgesloten dat in de onderneming geen geld is geïnvesteerd dat verband houdt met strafbare feiten weegt in dat geval zwaarder dan het belang van verzoeker bij de voortzetting van zijn onderneming. Dat is in deze zaak ook zo. Zelfs al begrijpt de voorzieningenrechter dat het voor verzoeker (financieel) zwaar is omdat hij nu geen inkomsten heeft, terwijl hij wel een jong gezin heeft te onderhouden.
7. De voorzieningenrechter merkt tot slot op dat verweerder op zitting heeft toegelicht dat de hoorzitting in bezwaar rond 20 juni 2026 zal plaatsvinden. Net als tijdens de mondelinge behandeling ter zitting drukt de voorzieningenrechter verzoeker op het hart dat het van groot belang is dat verzoeker de juiste en complete stukken verzamelt en indient bij verweerder voor de hoorzitting. Mogelijk dat verweerder de aanvraag dan alsnog in behandeling kan nemen. Verweerder heeft erop gewezen dat als de stukken na de hoorzitting nog steeds te veel vragen oproepen, hij dan van mening blijft dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. Verzoeker zal dan een nieuwe aanvraag moeten indienen. In ieder geval zal verzoeker zijn onderneming op deze locatie moeten dichthouden totdat een bedrijfsactiviteitenvergunning is verleend.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 7a van de Wet Bibob.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie Aanwijzingsbesluit [straatnaam] vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten artikel 2:98 APV Pro Den Haag 2025 en artikel 2:98 van Pro de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (de APV).
4.Uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11628, en van 23 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21307.