ECLI:NL:RBDHA:2026:16192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL25.36987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijhedenInformatiebericht 2025/39
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende afhankelijkheidsrelatie met minderjarige kinderen

Eiseres, een Iraakse gemeenschapsonderdaan, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij haar twee minderjarige Nederlandse kinderen te verblijven. De minister wees haar aanvraag af omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij samenwoont met haar kinderen of meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht.

De rechtbank behandelde het beroep en hield een kindgesprek met de zoon van eiseres. Ondanks de verklaringen van de kinderen en diverse overgelegde stukken, concludeerde de rechtbank dat eiseres niet met concrete, objectieve bewijsstukken had aangetoond dat er sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie zoals vereist volgens het arrest Chavez-Vilchez.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het economisch belang van Nederland zwaarder heeft gewogen dan het persoonlijke belang van eiseres. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het gezinsleven in Irak niet voortgezet kan worden of dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een verblijfsrecht rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om een verblijfsdocument af. Eiseres hoeft geen griffierecht te betalen, maar krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en haar aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een afhankelijkheidsrelatie met haar minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36987

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B. Zagers).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herhaalde aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw [1] waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. [2] Zij beoogt verblijf bij haar twee minderjarige Nederlandse kinderen. Eiseres stelt dat, vanwege haar afhankelijkheidsrelatie met haar kinderen, afwijzing van het verblijfsrecht tot gevolg heeft dat de kinderen de Europese Unie moeten verlaten.
1.1.
Het is in de eerste plaats aan eiseres om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie tussen haar en haar minderjarige kinderen. Het gaat in dit geval om een onderbouwing (met objectieve bewijsstukken) dat sprake is van samenwoning en/of het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat eiseres niet met concrete objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij samenwoont met haar kinderen of meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Ook heeft de minister geen verblijfsvergunning hoeven verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [3]
1.3.
De rechtbank benadrukt dat zij bij het nemen van de beslissing ook heeft geluisterd naar de verklaringen van de twee minderjarige kinderen van eiseres. Het is niet zo dat de rechtbank de verklaringen van de minderjarige kinderen niet serieus neemt. Maar in zaken zoals dit draait het niet alleen om verklaringen. Het gaat om de vraag of er voldoende objectieve bewijsstukken zijn. De minister heeft voldoende uitgelegd dat die bewijsstukken ontbreken. Daarom krijgt eiseres geen gelijk.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een Verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025, op het bezwaar van eiseres, is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank de zoon van eiseres, [naam 2] , de gelegenheid gegeven zijn mening kenbaar te maken over deze procedure. Op 16 januari 2026 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek met hem gehouden. Een samenvatting van dit kindgesprek is met partijen op zitting besproken.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Wat aan deze procedure voorafging

3. Eiseres is geboren op 13 april 1986 en in het bezit van de Iraakse nationaliteit. Op 19 juli 2019 heeft eiseres de minister verzocht haar verblijf te toetsen aan het EU-recht. Zij heeft een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez [4] , omdat zij bij haar twee minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit wil verblijven. [naam 3] , geboren op 9 mei 2009, en [naam 2] , geboren op 13 augustus 2011. Bij besluit van 12 mei 2020 heeft de minister het door eiseres ingediende bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 4 februari 2021 het door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken in Irak en Nederland voor haar kinderen heeft verricht. Eiseres heeft evenmin aangetoond dat er een afhankelijkheidsrelatie heeft bestaan tussen haar en de kinderen in Irak en Nederland. Bij uitspraak van 11 augustus 2021 heeft de Afdeling [5] het door eiseres aanhangig gemaakte hoger beroep ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 12 mei 2020 in rechte vast.
4. Op 26 november 2023 heeft eiseres de nu voorliggende aanvraag om afgifte van een Verblijfsdocument EU/EER ingediend voor verblijf bij haar twee minderjarige kinderen. In dat kader heeft eiseres onder meer de volgende stukken tijdens de besluitvorming overgelegd:
  • Foto’s;
  • Eigen verklaring in het Arabisch;
  • Verklaringen van de kinderen;
  • Verklaringen van buurtbewoners;
  • Verklaring van de schoonzus van eiseres;
  • Verklaringen van de school van de kinderen;
  • Verklaring van de voetbaltrainer;
  • Patiëntendossier van de zoon.
4.1.
De minister heeft de aanvraag van eiseres opnieuw afgewezen omdat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor haar kinderen verricht. De minister betrekt daarbij dat eiseres sinds 17 juli 2020 op een ander adres staat ingeschreven dan de kinderen. Dat eiseres, zoals gesteld, sinds 9 september 2024, nadat zij was uitgeprocedeerd weer bij haar echtgenoot en kinderen woont is onvoldoende aangetoond. Ook is eiseres er niet in geslaagd met (objectieve) bewijsstukken aan te tonen wat haar zorg- en opvoedingstaken zijn en hoe die feitelijke worden ingevuld. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat eiseres meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht.
4.2.
Verder heeft eiseres niet aangetoond dat haar kinderen dermate van haar afhankelijk zijn dat zij het grondgebied van de Europese Unie zal moeten verlaten als aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiseres heeft namelijk niet aangetoond dat zij in Irak en Egypte met de kinderen heeft samengewoond. Na haar komst naar Nederland heeft zij in de periode van 23 juli 2019 tot 17 juli 2020 op hetzelfde adres ingeschreven gestaan als haar echtgenoot en kinderen maar sinds 17 juli 2020 is dat niet meer het geval. Dat eiseres wel bij haar kinderen en echtgenoot verblijft, zoals gesteld, is niet aangetoond.

De beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
5. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Chavez-Vilchez
Standpunt eiseres
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij tijdens haar asielprocedure heeft verklaard in Irak en Egypte altijd met haar kinderen te hebben samengewoond en hen te hebben verzorgd en opgevoed. Dit is door de minister geloofwaardig geacht. Ook na haar aankomst in Nederland heeft eiseres altijd op hetzelfde adres verbleven als haar man en haar kinderen en heeft zij de kinderen verzorgd en opgevoed. Dit blijkt uit de overgelegde post die haar op het adres van haar echtgenoot is toegestuurd en de brief van de gemeente Westerwolde die naar dat adres is gestuurd en waarin staat aangegeven dat is gebleken dat zij vanaf 7 december 2021 niet meer woonachtig is in Ter Apel. Eiseres kan niet op het adres van het gezin ingeschreven worden omdat zij nu illegaal in Nederland verblijft. Een inschrijving is dan in strijd met de participatiewet en zou problemen voor haar echtgenoot veroorzaken. Eiseres heeft sinds de geboorte van haar kinderen altijd voor hen gezorgd en er is dan ook sprake van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken zoals ook blijkt uit de overgelegde stukken en verklaringen. Eiseres is van mening dat deze stukken onvoldoende door de minister worden meegewogen. Daarbij komt dat bij haar zoon een hypofyse tumor is geconstateerd. Dit betekent dat hij een medisch traject zal ingaan waarbij hij de steun van zijn moeder heel hard nodig zal hebben.
Juridische kader
7. Uit het arrest Chavez-Vilchez en XU en QP [6] volgt dat de relevante factoren om te bepalen of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen een minderjarige Unieburger en zijn ouder die derdelander is, dat de minderjarige Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan de ouder een verblijfsrecht weigert, liggen in het antwoord op de vraag wie het gezag over het kind heeft en bij welke ouder of ouders de wettelijke, financiële en/of affectieve lasten van het kind berusten. De minister zal moeten bepalen of de ouder die derdelander is, de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. Het gegeven dat de ouder die Unieburger is, in staat en bereid is om de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger alleen te dragen, is daarbij weliswaar relevant, maar volstaat niet voor de conclusie dat geen afhankelijkheidsverhouding bestaat. Ook samenwoning van de ouder die derdelander is met de minderjarige Unieburger is relevant, maar vormt geen noodzakelijk vereiste voor het aannemen van een afhankelijkheidsverhouding. Bij de beoordeling moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die derdelander is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de ouder die derdelander is, zou worden gescheiden. In het geval beide ouders met het gezag zijn belast gaat de rechter uit van de veronderstelling dat zij bij duurzame samenwoning dat gezag ook daadwerkelijk samen uitoefenen en de wettelijke, affectieve en financiële lasten van de minderjarige Unieburger ook dagelijks samen dragen. Als dat het geval is, is sprake van een weerlegbaar vermoeden dat er tussen de ouder die derdelander is en de minderjarige Unieburger sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding. [7]
7.1.
Sinds de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 [8] hanteert de minister nieuwe criteria bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht. Deze criteria zijn opgenomen in Informatiebericht 2025/39 en paragraaf B10/2.5.1. van de Vc 2000. [9] De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft; én
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
7.2.
De rechtbank ziet in het wijzigen van het toetsingskader na de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 geen reden om het bestreden besluit van 10 juli 2025 te vernietigen. In het bestreden besluit heeft de minister namelijk de voorwaarden niet cumulatief getoetst, maar doorgetoetst of er ondanks het gebrek aan meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken sprake is van een afhankelijkheidsrelatie.
Overwegingen van de rechtbank
8. De rechtbank stelt voorop dat het in de eerste plaats aan eiseres is om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez bestaat. [10] De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met wat in deze procedure naar voren is gebracht en is overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen haar en haar minderjarige kinderen een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat haar kinderen gedwongen zullen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiseres een verblijfsrecht zou worden geweigerd. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
Samenwoning
9. De minister werpt eiseres terecht tegen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt in de periode van 17 juli 2020 tot 10 juli 2025 feitelijk met haar minderjarige kinderen te hebben samengewoond. De minister mag zijn standpunt baseren op de omstandigheid dat eiseres vanaf 17 juli 2020 ingeschreven heeft gestaan op de Ter Apelervenen 4, 9561 MC in Ter Apel, zijnde een opvanglocatie van het COa [11] , en de omstandigheid dat gebleken is dat eiseres sinds 17 maart 2025 staat geregistreerd als Registratie Niet-Ingezetene. De stelling van eiseres dat zij ook na 17 juli 2020 en tot op heden heeft samengewoond met haar partner en haar kinderen heeft de minister onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd mogen achten. Zo kan uit de brief van de Gemeente Westerwolde van 7 december 2021 niet opgemaakt worden dat eiseres met haar partner en kinderen heeft samengewoond. Ook de aan eiseres gerichte brieven van haar gemachtigde bieden geen ondersteuning van die stelling. Daarnaast heeft eiseres haar stelling dat zij tijdens haar asielprocedure van het COa toestemming heeft gekregen om bij haar partner en kinderen te wonen niet weten te onderbouwen met een verklaring daarover van het COa. De stukken van de school van haar zoon en de huisarts onderbouwen evenmin de gestelde samenwoning. Het betoog, dat eiseres zich niet kan inschrijven op het adres van haar partner omdat deze dan in strijd handelt met de participatiewet en op grond van de toeslagenwet een boete kan krijgen, volgt de rechtbank niet. Dit betoog maakt, hoe dan ook, niet anders dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijk duurzaam met haar kinderen heeft samengewoond.
Zorg- en opvoedingstaken
10. Ook werpt de minister eiseres terecht tegen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor haar kinderen. Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt dat eiseres betrokken is bij het leven van haar kinderen, maar daaruit blijkt niet dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Zo blijkt uit het overgelegde gegevens van de huisarts over de zoon van eiseres, over de periode van 12 september 2019 tot en met 2 juni 2025, slechts dat eiseres haar zoon in die periode één keer bij een bezoek heeft vergezeld. De brief van de kinderarts van 19 augustus 2025 biedt in het geheel geen informatie over eventuele zorg- en opvoedingstaken van eiseres. De verklaringen van de buren zijn niet onderbouwd met identiteitsbewijzen wat maakt dat hun identiteit niet te verifiëren is en zijn afkomstig uit niet-objectieve bronnen wat maakt dat er minder waarde aan kan worden gehecht. Dit geldt eveneens voor de verklaringen van de schoonzus en de kinderen. Ook geldt het voor de verklaring van de voetbaltrainer van haar zoon uit welke verklaring bovendien niet blijkt vanaf welke periode eiseres betrokken zou zijn bij de sportactiviteiten van haar zoon. Verder volgt de rechtbank de minister dat uit de verklaringen van de school van de zoon van eiseres niet valt af te leiden dat eiseres meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Daarvoor zijn de verklaringen uit 2020 en 2023 te oud. Zij schetsen geen actueel beeld. Bovendien valt uit deze verklaringen, net als uit de meer recente verklaring(en) van 26 augustus 2024 en 20 december 2024, slechts af te leiden dat zij aanwezig is bij oudergesprekken, activiteiten en andere schoolse bijeenkomsten maar niet hoe vaak daar sprake van is, wat maakt dat de zorg- en opvoedingstaken die hieruit blijken ook slechts marginaal van aard zijn. Ook uit de overgelegde foto’s blijken geen zorg- en opvoedingstaken. Daarbij geven zij slechts een momentopname. Daarnaast heeft de minister ook terecht niet aannemelijk geacht dat eiseres in Irak en Egypte meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken heeft verricht. Dit kan niet worden herleid uit de door eiseres overgelegde verklaring van de basisschool van de kinderen in Suleymania in Irak, daarin is slechts sprake van de aanwezigheid van eiseres bij de registratie op de school voor de periode 2017 en 2018, en de verklaring van de arts in Irak die zij samen met haar kinderen zou hebben bezocht maar die niet volledig is.
Toetsing aan artikel 8 EVRM Pro
Standpunt eiseres
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister niet goed heeft getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. Zo is het economisch belang onjuist getoetst. Omdat eiseres geen verblijfsvergunning heeft kan haar niet worden tegengeworpen dat zij geen werk heeft. Zij past echter wel fulltime op de kinderen wat betekent dat haar partner voldoende geld kan verdienen om het gezin te onderhouden. Als zij terug moet keren naar Irak zal haar partner voor de verzorging van de kinderen een beroep moeten doen op overheidsgelden. Daarnaast is er geen sprake van een eerste toelating aangezien zij in 2019 rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van het visum wat haar is verstrekt. Verder is met hetgeen is aangevoerd in het kader van de Chavez-aanvraag komen vast te staan dat de minister eiseres onterecht tegenwerpt dat zij in beperkte mate invulling heeft gegeven aan haar gezinsleven. Ook is er sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak voort te zetten omdat haar partner en kinderen in Nederland verblijven. Daarbij is haar zoon ernstig ziek en heeft zijn moeder hard nodig. Behandeling van zijn ziekte in Irak zal waarschijnlijk niet mogelijk zijn.
Juridische kader
12. Artikel 8 van Pro het EVRM beschermt het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Omdat door de minister is vastgesteld dat sprake is van gezinsleven, dient de minister het belang van de Nederlandse staat af te wegen tegen het belang van eiseres om zo te beoordelen of het vastgesteld gezinsleven ook met zich brengt dat het verblijf in Nederland moet worden toegestaan. [12] Bij de belangenafweging moeten alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, waaronder eventuele objectieve of subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM [13] dienen in alle beslissingen de belangen van het kind een eerste overweging te vormen. Hoewel de belangen van het kind op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, dient hieraan aanzienlijk gewicht toe te komen. De rechtbank met beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Deze toetsing door de rechter is een volle toets. De rechtbank toets vervolgens terughoudend of de minister in redelijkheid tot een evenwichtige belangenafweging (fair balance) is gekomen, gelet op de hem toekomende beoordelingsruimte (margin of appreciation).
Belangenafweging
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. De minister heeft het economisch belang van de Nederlandse overheid zwaarder mogen laten wegen dan het persoonlijk belang van eiseres.
14. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen heeft de minister terecht geoordeeld dat eiseres niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Verder heeft de minister het economisch belang in het nadeel van eiseres mogen wegen omdat zij, als zij zou worden toegelaten, een beroep zou doen op de openbare kas omdat zij en haar partner over onvoldoende inkomen beschikken om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Dat haar partner, zoals gesteld, inmiddels meer is gaan verdienen zodat binnenkort wel aan de norm zal kunnen worden voldaan, is niet met stukken onderbouwd. Dat haar partner, als eiseres niet wordt toegelaten, voor de verzorging van de kinderen een beroep zal moeten doen op de openbare kas is evenmin onderbouwd. De minister heeft eveneens in het nadeel van eiseres mogen laten meewegen dat het hier een eerste toelating betreft. Eiseres is Nederland ingereisd met een faciliterend visum om haar in de gelegenheid te stellen een aanvraag in te dienen. Dit betekent dat eiseres een periode procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad en, nadat haar een vergunning was geweigerd, illegaal in Nederland heeft verbleven. Rechtmatig verblijf op basis van een verblijfsvergunning heeft eiseres dus niet gehad en daarom mocht de minister uitgaan van een eerste toelating. De minister heeft terecht gesteld dat eiseres hier gezinsleven heeft opgebouwd terwijl de Nederlandse overheid niet had ingestemd met haar verblijf. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen. De door eiseres ingediende asielaanvraag is afgewezen. Dat het gezin niet naar Irak zou kunnen terugkeren omdat de medische zorg die de zoon nodig heeft daar niet beschikbaar is, is niet met stukken onderbouwd. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.
Belang van het kind
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende oog heeft gehad voor het belang van de kinderen van eiseres. Zo heeft hij mogen overwegen dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Irak uit te oefenen maar mocht de partner van eiseres ervoor kiezen om met de kinderen in Nederland te blijven het gezinsleven tussen eiseres en haar kinderen op afstand kan worden uitgeoefend via moderne communicatiemiddelen en bezoeken over en weer. De rechtbank realiseert zich dat deze situatie verre van ideaal is, maar volgt de minister in diens standpunt dat eiseres geen zwaarwegende redenen heeft aangevoerd waarom dit, gezien het belang van de kinderen, niet mogelijk zou zijn.
Certain degree of hardship
16. In dit verband heeft eiseres aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van 18 mei 2021 [14] van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het gedrag van de vader van eiseres en diens gestelde bemoeienis met haar leven geen aanleiding vormt voor vergunningverlening. Dit was de situatie van acht jaar geleden. Als eiseres nu zal moeten terugkeren naar haar familie in Irak zonder echtgenoot en kinderen zal zij ongetwijfeld grote problemen krijgen met haar vader.
16.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Bij uitspraak van de Afdeling van 4 november 2021 [15] op het hoger beroep van eiseres tegen de uitspraak van 18 mei 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, is in rechte komen vast te staan dat de bemoeienis van haar vader niet genderspecifiek van aard is en dat de psychische schade die eiseres hierdoor heeft geleden niet met medische stukken is onderbouwd. Dit betekent dat eiseres bij terugkeer naar Irak op haar familie zal kunnen terugvallen. Dat de situatie zich door haar verblijf in Nederland in nadelig opzicht zou hebben ontwikkeld is door eiseres niet aannemelijk gemaakt of onderbouwd.
Binding met Irak en Nederland
17. De minister kan gevolgd worden in diens standpunt dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die maken dat eiseres meer banden heeft met Nederland dan met Irak. Zoals onder 15. is aangegeven is het niet onredelijk dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het familie- en gezinsleven op afstand vanuit Irak kan worden onderhouden maar kan het gezinsleven ook daar worden voortgezet. Daarbij heeft eiseres het overgrote deel van haar leven in Irak gewoond, heeft zij niet aangetoond dat zij sterke banden met Nederland heeft, zo is zij niet ingeburgerd en heeft zij niet onderbouwd dat zij de Nederlandse taal machtig is of vrijwilligerswerk verricht, en zijn de eventuele problemen die zij in Irak heeft ondervonden asielgerelateerd.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verblijfsdocument EU/EER.
3.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
6.Het arrest van het Hof van 5 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:354.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.
8.ECLI:EU:C:2017:354.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Vgl. de uitspraken van de Afdeling van 13 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3693 en 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344.
11.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
12.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
13.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
15.Nr. 202103690/1/V3.