ECLI:NL:RVS:2024:3693
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwezigheid verblijfsrecht voor Ghanese vader op grond van afhankelijkheidsverhouding met Nederlandse dochter
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van een Ghanese vreemdeling af voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan, omdat hij geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verrichtte en er geen afhankelijkheidsrelatie met zijn Nederlandse dochter bestond.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de familierechtelijke relatie en gaf opdracht tot een advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De minister stelde echter dat de vreemdeling slechts marginale zorgtaak verrichtte en dat de omgangsregeling beperkt was.
De Raad van State overweegt dat het aan de vreemdeling is om concrete gegevens te leveren die een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding aantonen. De minister heeft terecht rekening gehouden met de feiten, waaronder de beperkte omgang en het ontbreken van zorg vóór frustratie door de moeder. De rechtbank heeft ten onrechte een hypothetische situatie meegewogen en de minister onterecht opgedragen een adviesrapport te laten opstellen.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.