ECLI:NL:RBDHA:2026:16223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29202
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen vreemdelingenaanvraag met oplegging hoge dwangsom

Belanghebbende heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar vreemdelingenaanvraag. De rechtbank heeft eerder al drie keer verweerder opgedragen binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen, onder dreiging van een dwangsom. Ondanks deze opdrachten heeft verweerder nog steeds niet beslist.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, ook al was de lopende dwangsom nog niet volledig verbeurd. De rechtbank wijst het verweer van verweerder af dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn omdat de dwangsom nog niet was volgelopen. Er is nog steeds procesbelang zolang geen besluit is genomen.

De rechtbank legt een nieuwe dwangsom op van €500 per dag met een maximum van €50.000, aansluitend op de lopende dwangsom, en stelt een uiterste beslistermijn van 9 oktober 2026. De rechtbank benadrukt dat verweerder ondanks de lange wachttijd van ruim 23 maanden en de ernst van de situatie van belanghebbende en haar gezin geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een langere termijn rechtvaardigen.

De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter A.E.J.M. Gielen en griffier E.P.W. Kwakman, zonder zitting, en is openbaar bekendgemaakt op 15 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een dwangsom op met een uiterste beslistermijn van 9 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29202
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], belanghebbende

(gemachtigde: mr. K. Ross),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Banwari).

Procesverloop

Belanghebbende heeft op 24 mei 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. [1]

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Eerdere beroepsprocedures
2. In een eerdere beroepsprocedure tegen het niet tijdig beslissen heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen veertien dagen na bekendmaking van de uitspraak een besluit bekend te maken op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. [2]
3. Belanghebbende heeft vervolgens weer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 28 november 2025 uitspraak gedaan op dit beroep. [3] De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk binnen veertien dagen alsnog een besluit de aanvraag van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
4. Belanghebbende heeft daarna nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan op dit beroep. [4] De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk op 12 mei 2026 een besluit bekend moest te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van
€ 37.500,-. Deze dwangsom loopt vol op 9 oktober 2026.
5. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de aanvraag, heeft belanghebbende op 24 mei 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. De rechtbank overweegt dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel blijft bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. [5]
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog steeds geen gevolg heeft gegeven aan de opdrachten van de rechtbank.
Is het beroep ontvankelijk?
7. Verweerder stelt in het verweerschrift dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de rechterlijke dwangsom nog niet was volgelopen op het moment dat onderhavig beroep werd ingediend. Volgens verweerder kan belanghebbende door het voeren van deze procedure niet in een gunstigere positie komen. Verweerder stelt dat de uitspraak van de Afdeling [6] van 27 november 2024 niet van toepassing is op het vreemdelingenrecht. [7]
8. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het is juist dat de uitspraak van de Afdeling is gewezen in een zaak over de Wet Open Overheid (Woo), maar daarin staat niet dat die beperkt is tot de Woo en niet zou zien op andere wetten zoals de Vreemdelingenwet 2000. In deze uitspraak staat ook niet dat procesbelang wordt aangenomen in verband met de rechtszekerheid, zoals verweerder stelt. De rechtszekerheid komt pas aan de orde bij de vraag binnen welke nadere termijn de staatssecretaris alsnog dient te beslissen. Dat verweerder vermijdt toezeggingen te doen en stelt geen extra prikkel nodig te hebben laat onverlet dat eiser procesbelang heeft zolang niet is beslist op de aanvraag. Belanghebbende kan bovendien wel degelijk een relevant resultaat bereiken en dus in een gunstigere positie komen met het aanwenden van het opvolgende beroep niet tijdig, namelijk een additionele dwangsom aansluitend aan de eerdere rechterlijke dwangsom. Van stapelen van dwangsommen is geen sprake, want uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de rechtbank bij het bepalen van een tweede rechtelijke dwangsom rekening moet houden met de eerder opgelegde dwangsom. [8] Dit kan betekenen dat de rechtbank de tweede rechterlijke dwangsom pas laat ingaan nadat de eerste is volgelopen, waardoor dwangsommen niet gelijktijdig lopen en het stapelen van dwangsommen wordt voorkomen. De rechter doet bij een opvolgend beroep niet tijdig geen tweede maal uitspraak over het geschil, maar stelt op een later moment opnieuw vast dat nog steeds niet op een aanvraag is beslist. Het tijdsverloop is inherent een relevante factor aan een beroep niet tijdig. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen besluit heeft genomen. Belanghebbende heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet opnieuw in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan, omdat van belanghebbende redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat zij verweerder opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019. [9] Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
9. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [10]
10. Verweerder heeft zich niet gehouden aan drie rechterlijke opdrachten om te beslissen. Daar komt bij dat belanghebbende op 30 juli 2024 haar aanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat belanghebbende al ruim 23 maanden wacht op een beslissing op haar aanvraag. Voor zover de rechtbank dat kan beoordelen is nog geen begin gemaakt met de behandeling van de aanvraag. De rechtbank ziet in de door verweerder naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om na het vollopen van de lopende dwangsom nog een aanvullende termijn te geven, omdat tegen die tijd al meer dan 26 maanden zijn verstreken. De door verweerder aangevoerde omstandigheden zijn algemeen van aard en gelden in feite voor elke zaak. Verweerder vraagt een termijn van twintig weken op te leggen na bekendmaking van deze uitspraak. De rechtbank draagt verweerder daarom op om zo snel mogelijk om de aanvraag van belanghebbende te beslissen, maar uiterlijk, op de dag dat de laatst opgelegde dwangsom is volgelopen, dus uiterlijk op 9 oktober 2026. Deze termijn is ongeveer drie weken korter dan de door verweerder gevraagde twintig weken en naar het oordeel niet onrealistisch kort. Met deze additionele dwangsom, aansluitend aan de nog lopende rechterlijke dwangsom, voorkomt de rechtbank stapeling van dwangsommen en houdt de rechtbank rekening met de eerder opgelegde dwangsom, overeenkomstig de rechtspraak van de Afdeling. [11]
Wat is de hoogte van de rechterlijke dwangsom?
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 500,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 50.000,-. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit het vierde beroep niet tijdig is en de beslistermijn ruimschoots is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ervoor kiezen om een aanvraag met voorrang te behandelen en een uitzondering te maken op het fifo-principe. Uit hun aanvraag blijkt dat het gaat om nareis van een echtgenote en kinderen in de leeftijd van 7, 10, 15 en 24 jaar, die al lange tijd gescheiden zijn van hun man en vader en als vluchtelingen in Turkije leven. Onder de stukken bevindt zich een alarmerend bericht van Cordaad Welzijn van 2 juli 2025 over de situatie van moeder en kinderen en een opvolgend bericht van 11 februari 2026 met een dringend verzoek aan verweerder om de zaak met voorrand in behandeling te nemen. Het vasthouden aan het fifo-principe ondanks drie rechterlijke uitspraken en zonder een op het concrete geval toegespitste motivering kwalificeert de rechtbank als weigerachtigheid van de kant van het bestuursorgaan. Zij acht een sterke prikkel nodig om verweerder te bewegen te beslissen op de aanvraag. Dit is in overeenstemming met het landelijke beleid, gepubliceerd op
www.rechtspraak.nl. [12] De rechtbank sluit zich niet aan bij de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht van 21 mei 2026. [13]
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 9 oktober 2026 een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 50.000,-; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.NL25.12960.
3.NL25.50176.
4.NL26.17464.
5.Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1684) en 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4865).
6.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.
8.Uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.
10.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
11.Uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.
12.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
13.https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.