ECLI:NL:RBDHA:2026:16238

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.38700
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 3.108d Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige betrokkenheid bij Gülen-beweging en niet tijdige indiening

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, diende op 21 juli 2023 een asielaanvraag in Nederland in, stellende dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging in Turkije vervolging vreest. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, onder meer omdat eiser niet tijdig een asielaanvraag had ingediend en zijn verklaringen over problemen door zijn betrokkenheid niet geloofwaardig waren.

De rechtbank toetste het besluit en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Zijn verklaringen over afwijzing voor ambtenaar, ontslag bij werkgevers en een lopend strafrechtelijk onderzoek werden als onvoldoende onderbouwd en tegenstrijdig beoordeeld. Ook werd het late indienen van de asielaanvraag niet als verschoonbaar gezien.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38700

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

[V-nummer]
gemachtigde: mr. E. Arslan,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Kanters.

Procesverloop

Eiser heeft op 21 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag) ingediend.
Bij brief 7 februari 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.
Op 26 februari 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 24 april 2024 (NL24.7195) heeft deze rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 25 november 2024 heeft eiser verweerder opnieuw in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.
Op 10 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 27 januari 2025 (NL24.49326) heeft deze rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond verklaard, het (met een besluit gelijk te stellen) niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor te houden en bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
Bij besluit van 13 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd en een rechterlijke dwangsom van € 7.500,- toegekend.
Eiser heeft op 16 augustus 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026, samen met het verzoek met zaaknummer NL25.51674, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. De in deze zaak voorliggende asielaanvraag heeft eiser op 21 juli 2023 ingediend.
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
2.1.
Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij als vrijwilliger gewerkt bij een huiswerkbegeleidingsinstituut dat gelieerd was aan de Gülen-beweging. Daarnaast heeft hij voor de Gülen-beweging (onder andere) geholpen bij het verdelen van dieren die geofferd zijn tijdens het offerfeest, geprobeerd om nieuwe klanten voor de krant Zaman en het tijdschrift Sizinti te werven, ondersteuning geboden aan broers en zussen en hulpbehoevende kinderen en in 2014 deelgenomen aan een demonstratie tegen de sluiting van huiswerkbegeleidingsinstituten. Verder heeft eiser betaald werk gehad als grafisch designer en als leidinggevende bij Vodafone en een energiemaatschappij.
2.2.
In 2013 heeft eiser geprobeerd om ambtenaar te worden maar is hij, ondanks dat hij de benodigde KPSS-toets had behaald, hiervoor meerdere keren afgewezen. In 2020/2021 en 2022 zijn er agenten in burger bij zijn huis en het werk langsgekomen. Vlak daarna is eiser bij zijn laatste twee werkgevers ontslagen.
2.3.
Zijn gezin is per decreet in heel Turkije gestigmatiseerd. Na de couppoging in 2016 zijn eisers broer en zwager uit hun ambt gezet. Vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar vermeend lidmaatschap bij de Gülen-beweging heeft de zwager vanaf 2017 tot eind 2022 vastgezeten. Dit onderzoek is nog niet afgerond. De broer en zus van eiser hebben de strafzaken tegen hen gewonnen.
2.4.
Eiser vreest bij terugkeer naar Turkije dat er een strafrechtelijk onderzoek naar hem zal worden opgestart omdat hij in Turkije activiteiten heeft verricht voor de Gülen-beweging, zijn familie door de autoriteiten is gestigmatiseerd, zijn zwager, broer en zus zijn/waren onderworpen aan strafrechtelijk onderzoek en hij Turkije op illegale wijze heeft verlaten.
Het bestreden besluit
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de daaruit voortvloeiende problemen.
3.2.
Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, Turkse nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser betrokken is bij de Gülen-beweging. Verweerder acht echter niet geloofwaardig dat de gestelde problemen het gevolg zijn van eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging, omdat in dat verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn problemen, de problemen van zijn zwager, broer en zus en/of zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of komt te staan. De gestelde vrees voor vervolging acht verweerder daarom niet aannemelijk. Dat eiser stelt Turkije illegaal te zijn uitgereisd is op zichzelf onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 omdat eiser Nederland onrechtmatig is binnengekomen en zich niet onverwijld heeft aangemeld bij de bevoegde autoriteiten en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen zelfstandige beroepsgronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.
Risicobeoordeling
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de risicobeoordeling door verweerder.
Herhaling zienswijze in beroep
6. Eiser heeft verzocht de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Voor zover hij in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:216.
Afwijzing asielaanvraag
7. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden.
Problemen als gevolg van betrokkenheid bij de Gülen-beweging
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat de problemen het gevolg zijn van zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging.
8.1.
Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiser als gevolg van zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging problemen heeft ondervonden, mede omdat de verklaringen van eiser hiervoor geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft hieraan meerdere tegenwerpingen ten grondslag gelegd. De in het voornemen opgenomen tegenwerping dat de verklaring van eiser dat hij niet meer kan inloggen in e-devlet niet overeenkomt met landeninformatie heeft verweerder in het bestreden besluit laten vallen. De andere zeven tegenwerpingen heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd. In beroep heeft eiser vier gehandhaafde tegenwerpingen bestreden. De rechtbank zal de bestreden tegenwerpingen hieronder bespreken.
8.2.
Verweerder heeft zich in de eerste plaats niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet is benoemd tot ambtenaar. Het gestelde verband tussen de afwijzing en het feit dat eisers familie gelieerd is aan de Gülen-beweging is, zo blijkt uit het nader gehoor, gebaseerd op vermoedens van eiser. Dat, zoals eiser heeft verklaard, hij de benodigde kwalificaties had voor de functie en er geen reden is gegeven voor de afwijzing, impliceert namelijk niet dat eiser niet in aanmerking komt voor de ambtenarij omdat zijn familie banden heeft met de Gülen-beweging (zie NG, p. 6 en 14). Het asielrelaas van eiser bevat onvoldoende aanknopingspunten die deze vermoedens voldoende ondersteunen. Integendeel, tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard te zijn uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek na een initiële screening (zie NG, p. 19). Niet (goed) valt in te zien dat eiser wordt uitgenodigd voor een gesprek als hij reeds is gescreend, maar vervolgens vanwege zijn familiebanden niet in aanmerking zou komen voor de functie van ambtenaar. Eiser heeft voor deze ongerijmdheid geen bevredigende verklaring gegeven. In de in de beroepsgronden vermelde stelling dat het doorlopen van eerdere selectie – of screeningsrondes niet betekent dat de kandidaat vrij is van risico op discriminatie, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Volgens eiser blijkt uit een rapport van de Finnish Immigration Service van juni 2024 dat daadwerkelijke uitsluiting van Gülen-gelieerde familieleden vaak pas in de laatste fase van de aanstellingsprocedure plaatsvindt (met name tijdens of na het sollicitatiegesprek of de mondelinge beoordeling). Dit berust echter op een onjuiste lezing van deze informatie. Hierin staat slechts dat als een kind van een persoon die geassocieerd wordt met de Gülen-beweging aan een ambtenarenexamen deelneemt en met goede cijfers doorgaat van het schriftelijke naar het mondelinge gedeelte van het examen, toch kan zakken voor het mondelinge gedeelte simpelweg vanwege zijn of haar achtergrond. Deze informatie zegt dus niets over de screeningsprocedure bij de ambtenarenbenoeming. Dat eiser is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek na een initiële screening doet derhalve afbreuk aan eisers asielrelaas. Voorts volgt de rechtbank het standpunt van eiser dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de structurele uitsluiting van familieleden van Gülenisten van overheidsfuncties en dat die beoordeling daardoor niet in overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn is, niet. Ten aanzien van de door eiser in de zienswijze genoemde informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (p. 52) en het rapport van de Finnish Immigration Service heeft verweerder in het bestreden besluit erkend dat familieleden van Gülenisten hinder kunnen ondervinden in het maatschappelijk verkeer en op de arbeidsmarkt. Het is echter aan eiser om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat en dat hij te maken krijgt met de in de landeninformatie genoemde praktijken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser hier niet in is geslaagd.
8.3.
Verweerder heeft zich in de tweede plaats niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij vanwege discriminatie twee keer is ontslagen. Dat eiser is ontslagen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging is, blijkens het nader gehoor van eiser, niet gebaseerd op persoonlijke ervaringen van eiser maar slechts op gestelde waarnemingen van vrienden op kantoor en van zijn buren. Deze gestelde waarnemingen zijn onvoldoende, alleen al omdat verweerder die waarnemingen niet kan verifiëren. Aan de chronologie van gebeurtenissen (het ontslag vond plaats nadat zijn familie in het openbaar in verband was gebracht met de Gülen-beweging en eiser was afgewezen als ambtenaar) kan eiser geen concrete aanknopingspunten ontlenen dat het ontslag is ingegeven door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zonder nadere toelichting valt niet (goed) in te zien dat eiser is ontslagen vanwege omstandigheden die zich tien dan wel vijf jaar eerder hebben voorgedaan. Eiser heeft bovendien niet uitgelegd waarom deze gebeurtenissen kennelijk niet in de weg hebben gestaan aan zijn aanstelling bij de desbetreffende werkgevers. Evenmin heeft eiser met de door hem aangehaalde landeninformatie aannemelijk gemaakt dat hij is ontslagen vanwege discriminatie. Uit pagina’s 40 tot en met 42 van het rapport van de Finnish Immigration Service van juni 2024 volgt inderdaad, zoals eiser stelt, dat familieleden van Gülenisten door de Turkse autoriteiten kunnen worden geïntimideerd en onderworpen aan administratieve en juridische maatregelen, waaronder ontslag, vervolging, het mislopen van promoties en uitsluiting van werk in de publieke sector. Deze passages gaan echter over de positie van familieleden in de publieke sector en niet over de gevolgen van de handelswijze van de Turkse overheid voor familieleden in de private sector. Eiser heeft niet uitgelegd waarom deze informatie toch van toepassing is op zijn situatie. Het is daarnaast aan eiser om aannemelijk te maken dat hij deze hinder persoonlijk heeft ondervonden. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser hier niet in is geslaagd.
8.4.
Verweerder heeft zich in de derde plaats niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn vermoeden dat er een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser digitale toegang heeft tot het burgerportaal van het Turkse juridische overheidssysteem UYAP. Verweerder stelt dan ook niet ten onrechte dat van eiser verwacht mag worden dat hij zijn vermoeden met stukken kan onderbouwen. Het standpunt van eiser dat het heel goed mogelijk is dat het strafrechtelijk onderzoek tegen hem nog niet zichtbaar is in UYAP, omdat vertrouwelijke zaken of terrorismezaken vaak geheim worden gehouden, heeft verweerder niet hoeven volgen. Hoewel uit de door eiser aangehaalde informatie – te weten: het rapport Pro Asyl van september 2024 (Gutachten: Zur Lage der Justiz in der Türkei – Rechtsunsicherheit in Strafverfahren mit politischem Bezug) (zie p. 115 e.v.) en het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (zie p. 20) – volgt dat indien de Turkse autoriteiten een zaak als ‘gevoelig’ beschouwen stukken in UYAP tijdens de onderzoeksfase niet voor burgers raadpleegbaar zijn heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten zijn strafzaak als vertrouwelijk hebben aangemerkt. Wat eiser heeft aangevoerd is bovendien niet eenvoudig in overeenstemming te brengen met zijn verklaringen over de wijze waarop de Turkse autoriteiten zijn familie eerder heeft aanpakt. Eiser heeft immers verklaard dat zijn familie in 2018 vanwege de banden met de Gülen-beweging per decreet in heel Turkije is gestigmatiseerd en dat er berichten over zijn familie op internet werden gedeeld. Dat zou betekenen dat zijn familie publiekelijk aan de schandpaal is genageld. Waarom de Turkse autoriteiten eiser – anders dan zijn familie – wel op heimelijk wijze (strafrechtelijk) zouden willen aanpakken is niet duidelijk gemaakt. In de beroepsgronden heeft eiser nog gewezen op (onder andere) het feit dat hij op een internaat heeft verbleven dat gelieerd is aan de Gülen-beweging, na de couppoging kinderen van veroordeelde Gülenisten heeft geholpen met huiswerk, een abonnement heeft op Zaman en Sizinto, heeft deelgenomen aan een protest tegen uitsluiting, wervingsactiviteiten heeft verricht onder medestudenten, sociale post heeft gedeeld over de Gülen-beweging en kritiek heeft geuit op de AKP. Weliswaar heeft verweerder de activiteiten van eiser in Turkije geloofd maar heeft hij (bij de risicobeoordeling) ook geoordeeld dat de Turkse autoriteiten niet op de hoogte hiervan zijn. Eiser heeft geen argumenten aangedragen waarom niet van dit standpunt kan worden uitgegaan. Tot slot is de omstandigheid dat er strafrechtelijke onderzoeken liepen tegen de zus, broer en zwager van eiser vanwege vermeende banden met de Gülen-beweging onvoldoende. Het is op zichzelf juist dat vervolging van de familieleden een indicatie kan opleveren dat een vreemdeling is vervolgd of dat een vreemdeling daaraan een gegronde vrees voor vervolging ontleent. Eiser heeft echter, nadat het strafrechtelijk onderzoek tegen de familieleden in 2016 en 2020 was aangevangen, nog ruim zes dan wel twee jaar in Turkije verbleven zonder dat hij door de Turkse overheid is benaderd of dat hij problemen met de Turkse overheid heeft gehad. Nergens blijkt dus uit dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser loopt.
8.5.
Verweerder heeft zich in de vierde plaats niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de uitreis. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij Turkije op legale wijze heeft verlaten en daarbij geen problemen heeft ondervonden (zie AG, p. 10), terwijl eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij het land illegaal heeft verlaten (zie NG, p. 9) en vervolgens ook bij de controlevraag heeft bevestigd dat hij Turkije niet op legale wijze is uitgereisd (zie NG, p. 21). De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen in de correcties en aanvullingen aanmeldgehoor en nader gehoor, anders dan eiser in beroep stelt, niet zijn gecorrigeerd. Voor de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheid heeft eiser geen verklaring gegeven. Het enkel in beroep persisteren dat eiser niet tegenstrijdig heeft verklaard over zijn uitreis doet daar niet aan af. Niet gesteld of gebleken is dat eiser en de tolk elkaar op enig moment niet (goed) hebben verstaan. Evenmin verzet artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich tegen het betrekken van deze tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen bij de beoordeling. Deze bepaling verbiedt verweerder om de tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over de asielmotieven te betrekken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag, behoudens de daargenoemde uitzonderingen. De geconstateerde tegenstrijdige verklaringen zien echter niet op de korte opgave van de asielmotieven maar op eisers reisroute. Verweerder heeft voormelde tegenstrijdige verklaringen dan ook niet ten onrechte tegengeworpen.
8.6.
Gelet op voormelde tegenwerpingen en de niet bestreden tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en, in het verlengde daarvan, dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
In grote lijnen ongeloofwaardig
9. Eiser voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen in grote lijnen ongeloofwaardig zijn.
9.1.
Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiser als gevolg van zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging problemen heeft ondervonden, ook omdat niet vast is komen te staan dat eisers verklaringen in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
9.2.
In beginsel mag verweerder het een asielzoeker aanrekenen als het waarschijnlijk is dat hij zich bewust heeft ontdaan van zijn identiteits- of reisdocumenten of deze bewust heeft vernietigd. Dit is anders als gebleken is van omstandigheden waaronder verweerder het wegmaken dan wel vernietigen van de documenten niet aan de asielzoeker in kwestie kan aanrekenen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kwijtmaken of vernietigen van de documenten onder dwang of druk van een reisagent is gebeurd. In dit geval mocht verweerder eiser tegenwerpen dat niet is gebleken van dwang. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland op advies van de reisagenten zijn paspoort heeft weggegooid. Eiser heeft er dus zelf voor gekozen om zich te ontdoen van zijn paspoort. Door het ontbreken kan het paspoort kan de reisroute van eiser niet worden vastgesteld. Dat is echter wel van belang, omdat eiser, gelet op wat is overwogen in 8.5, tegenstrijdig heeft verklaard over de wijze waarop hij Turkije heeft verlaten.
9.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet vast is te komen te staan dat eisers verklaring in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd en, in het verlengde daarvan, dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
Niet tijdige indiening asielaanvraag
10. Eiser voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte geen verschoonbare reden voor de late indiening van de asielaanvraag heeft aangenomen.
10.1.
Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiser als gevolg van zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging problemen heeft ondervonden, ook omdat hij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
10.2.
Eiser heeft verklaard midden april 2023 Nederland te zijn ingereisd. Op 21 juli 2023 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. Hieruit volgt dat eiser (afgerond) drie maanden in Nederland heeft verbleven voordat hij de asielaanvraag deed. Verweerder stelt niet ten onrechte dat dit niet getuigt van de noodzaak om internationale bescherming te verkrijgen en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen. Dat eiser, zoals hij stelt, eerst een vriend heeft geholpen waardoor hij niet goed kon uitzoeken waar hij heen moest en de Nederlandse taal niet machtig is, heeft verweerder niet ten onrechte niet als verschoonbaar gezien. Van eiser, die stelt te vrezen voor de Turkse autoriteiten, mag verwacht worden dat hij informatie opzoekt over de mogelijkheid voor asiel, zeker nu eiser stelt al in Turkije de keuze te hebben gemaakt om naar Nederland te komen om alhier asiel aan te vragen en in staat was om een Grieks toeristenvisum te regelen en zich binnen Europa wist te verplaatsen. Het standpunt van eiser dat verweerder het te laat melden als zelfstandige grond hanteert om het asielrelaas ongeloofwaardig te achten, mist, gelet op 8.2 tot en met 8.5 en 9.2 tot en met 9.3, feitelijke grondslag.
10.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hiervoor geen goede redenen heeft aangevoerd waarom hij dit heeft nagelaten en, in het verlengde daarvan, dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Slotsom
11. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, d en e, van de Vw 2000. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat de problemen van eiser verband houden met zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Nu dit asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, levert dit geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.