Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16257

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.45194 en NL25.45196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30a VwArt. 30b VwArt. 3.109ca VbArt. 3.106a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens internationale bescherming in Bulgarije bevestigd

Eisers, van Syrische nationaliteit, dienden asielaanvragen in Nederland in, die door de minister niet-ontvankelijk werden verklaard omdat zij reeds internationale bescherming genieten in Bulgarije sinds januari 2023. De rechtbank bevestigt deze niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet.

Eisers voerden aan dat hun medische situatie en de omstandigheden in Bulgarije het interstatelijk vertrouwensbeginsel doorbreken, met name vanwege beperkte toegang tot medische zorg en het zero-integration beleid. De rechtbank oordeelt echter dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Bulgarije een schending van artikel 3 EVRM Pro zullen ondervinden of dat zij als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie, waarin de drempel voor het doorbreken van het vertrouwensbeginsel hoog ligt. Ook de banden met Nederland zijn onvoldoende om de niet-ontvankelijkheid te doorbreken. De beroepen worden ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvragen omdat eisers internationale bescherming genieten in Bulgarije en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is doorbroken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.45194 en NL25.45196

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2], eisers

(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.A. Lippinkhof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank merkt op dat eisers in beide zaken hetzelfde hebben aangevoerd. De rechtbank zal de beroepsgronden van eisers dan ook gezamenlijk behandelen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1969 en [geboortedatum 2] 1972. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening hangende deze beroepen [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, T. Sleiman als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 de aanvragen van eisers in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers in Bulgarije internationale bescherming genieten. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten is gebleken dat eisers sinds 20 januari 2023 internationale bescherming hebben in Bulgarije. Ook blijkt uit de verklaringen van eisers dat zij daar tot februari 2026 internationale bescherming hadden. Eisers hebben geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten gegeven om aan te nemen dat deze registratie onjuist is. De minister heeft verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers zijn er volgens de minister niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de lidstaat de verplichtingen in hun geval niet nakomt. De minister heeft eisers daarom opgedragen om onmiddellijk naar Bulgarije te gaan.
Internationale bescherming in Bulgarije
4. De rechtbank is allereest van oordeel dat eisers in deze procedure niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun status in Bulgarije is gewijzigd. Het feit dat de geldigheid van de Bulgaarse verblijfsvergunning mogelijk zou zijn verlopen, is hiervoor onvoldoende. Dit betekent namelijk niet dat de Bulgaarse autoriteiten de internationale bescherming ook hebben ingetrokken. In de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023 is onder meer overwogen dat het niet tijdig verlengen of vervangen van de geldigheidsduur van de Bulgaarse verblijfsdocumenten niet automatisch leidt tot intrekking van de verleende internationale bescherming. [3] Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de registratie in het Eurodac-systeem en dat als uit het Eurodac-systeem niet blijkt dat de status is ingetrokken, het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij in Bulgarije toch geen internationale bescherming meer heeft. Uit de informatie van de Bulgaarse autoriteiten is gebleken dat eisers sinds 20 januari 2023 internationale bescherming hebben. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die bescherming is ingetrokken.
Correcties en aanvullingen
Het betoog van eisers
5. Eisers voeren aan dat de handelswijze van de minister onzorgvuldig is geweest, omdat het voornemen is verzonden voordat hun correcties en aanvullingen waren ontvangen. Eisers zijn hierdoor in hun belangen geschaad.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In artikel 3.109ca van het Vreemdelingenbesluit (Vb) is de versnelde procedure opgenomen. Deze versnelde procedure wordt gevolgd in het geval de aanvraag vermoedelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. [4] In dat geval wordt de algemene asielprocedure niet gevolgd. Voor de procedure van eisers geldt dat artikel 3.113, vierde lid, van het Vb daarom niet van toepassing is. De in de algemene procedure geldende termijnen zijn evenmin van toepassing. Uit paragraaf C1/2.7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt dat de vreemdeling in de versnelde procedure eventuele correcties en aanvullingen op het rapport van gehoor de dag na het gehoor dan wel gelijktijdig met zijn zienswijze op het voornemen kan indienen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister overeenkomstig voornoemde regels de versnelde asielprocedure heeft gevolgd. Eisers genieten immers internationale bescherming in Bulgarije. Verder is het zo dat eisers een zienswijze hebben ingediend. Zij hebben dus de mogelijkheid gehad om hierin correcties en aanvullingen te vermelden. Uit het bestreden besluit blijkt dat de correcties en aanvullingen die eisers in de zienswijze naar voren hebben gebracht, zijn meegenomen, maar dat dit geen wezenlijke correcties zijn, waardoor dit het standpunt van de minister zal veranderen. Het is niet gebleken is dat eisers door de gevolgde procedure in hun belangen zijn geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel, toegang tot zorg en bijzondere kwetsbaarheid
Het betoog van eisers
7. Eisers betogen dat er gelet op hun individuele relaas niet uitgegaan had mogen worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Eisers stellen verder, met verwijzing naar IB 2021/56, dat zij vanwege de medische situatie van eiser, als bijzonder kwetsbare statushouder moeten worden gezien. Eiser heeft blaaskanker, hij is hiervoor onder behandeling en er moet iedere vier weken gecontroleerd worden of de kanker is teruggekeerd. Eiser heeft zijn medisch dossier overgelegd. Eisers hebben in Bulgarije geprobeerd medische hulp te krijgen, maar dit is niet gelukt. Eisers zijn uit Bulgarije vertrokken om het leven van eiser te redden, nadat hij bloed plaste. Eisers vrezen dat zij in Bulgarije geen toegang zullen krijgen tot de benodigde zorg. Eisers verwijzen ten aanzien hiervan naar het AIDA-rapport [5] . Eisers hebben ook, vanwege hun gezondheidsproblemen, geen mogelijkheid om te werken en zullen maandelijks zonder inkomen hun eigen ziektekosten moeten betalen. Dit is voor eisers niet mogelijk, waardoor ze om die reden geen toegang hebben tot zorg. Verder verwijzen eisers naar het rapport van het Bulgarian Helsinki Comittee van 2024 (pagina 68), waaruit blijkt dat kwetsbare groepen, waaronder migranten, een groter risico lopen op gezondheidsproblemen als gevolg van sociale, economische, geografische, culturele of andere factoren. Zij ondervinden vaak belemmeringen bij de toegang tot medische zorg, behandeling of preventieve diensten. Daarnaast stellen eisers dat er individuele garanties moeten worden gevraagd bij terugkeer naar Bulgarije. Eisers wijzen op het zero-integration beleid waaruit blijkt dat eisers de medische hulp bij terugkeer niet zullen krijgen. Eisers hebben ook geen identiteitspapieren en nieuwe aanvragen zal problemen opleveren, omdat eisers geen woonadres hebben in Bulgarije en ook geen geld om een woning te huren. Zonder identiteitsbewijs kunnen eisers
geen basisrechten krijgen, zoals medische zorg. Eisers stellen dan ook dat er sprake is van een situatie in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt dat eisers in Bulgarije internationale bescherming hebben. De minister mag daarom in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eisers moeten aannemelijk maken dat dit in hun geval niet kan. De rechtbank overweegt verder dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of hun leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. Deze ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ volgt uit het arrest Ibrahim van het Hof. [6]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat betreft statushouders, en dat zij bij terugkeer naar Bulgarije te maken krijgen met een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 1 november 2023 in een viertal uitspraken heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [7] De Afdeling heeft in die uitspraken eerdere versies van het AIDA-rapport betrokken en vervolgens op basis van het AIDA-rapport over 2022 geoordeeld dat de gevolgen van het zero integration beleid van de Bulgaarse autoriteiten onvoldoende zijn om de drempel uit het arrest Ibrahim te halen. [8] De Afdeling komt ook in de uitspraak van 24 maart 2025 [9] tot dit oordeel. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel van de Afdeling af te wijken.
8.2.
Het AIDA rapport update 2024, waar eisers op wijzen is weliswaar niet bij deze uitspraken van de Afdeling betrokken, maar de door eisers aangehaalde passage staat ook in de eerdere AIDA rapporten en daaruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling dus niet dat de situatie zo ernstig is dat statushouders in het algemeen bij terugkeer naar Bulgarije het reële risico lopen dat zij terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie in de zin van het arrest Ibrahim. De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde in die zin dus geen wezenlijk andere informatie betreft dan de rapporten die al eerder zijn betrokken door de Afdeling. De rechtbank volgt het betoog van de minister dat niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) nog wel de hulp aan eisers kunnen bieden.
8.3.
De rechtbank merkt verder op dat het op de weg van eisers ligt om bij eventuele problemen, bij het effectueren van hun rechten als statushouders, eerst te klagen bij de hogere autoriteiten. Dat klagen voor eisers niet mogelijk, of bij voorbaat zinloos is, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De enkele stelling dat zij geen toegang zullen krijgen tot medische voorzieningen en al rond hebben gevraagd voor hulp, is onvoldoende.
8.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiser vanwege medische redenen bijzonder kwetsbaar is. Uit medische stukken is gebleken dat bij eiser blaaskanker is vastgesteld, hij medicatie gebruikt en hij maandelijks controles ondergaat. Ook op de zitting heeft eiser bevestigd dat de behandeling op dit moment enkel ziet op de medicatie en controles. Ook eiseres heeft verklaard dat zij medische klachten heeft, haar hand verbrand en verminkt is en zij haar rug niet meer kan gebruiken voor werk, omdat zij een soort hernia heeft en hiervoor sterke pijnstilling krijgt.
8.5.
De rechtbank overweegt dat eisers weliswaar medische zorg nodig hebben, maar is van oordeel dat de zorgen onvoldoende zijn om eisers als ‘bijzonder kwetsbaar’ aan te merken als bedoeld in het arrest Ibrahim. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun medische klachten dusdanig zijn dat de (hoge) drempel uit dat arrest wordt gehaald en zij bij terugkeer het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Uit de medische stukken en de verklaringen van eisers op de zitting blijkt namelijk niet dat hun medische aandoeningen hen belemmeren in hun mogelijkheden om hun rechten als statushouders in Bulgarije te effectueren. Eisers hebben weliswaar hun medisch dossier overgelegd, maar in de stukken zit geen verklaring van een medisch specialist, met betrekking tot de specifieke zorg die zij in Nederland nodig zouden hebben dan wel in Bulgarije niet zouden kunnen krijgen. In dit verband overweegt de rechtbank dat eisers, doordat zij internationale bescherming hebben in Bulgarije, dezelfde rechten en plichten hebben als Bulgaarse burgers. Het is aan eisers om deze rechten te effectueren. Dat eisers voor hulp in Bulgarije hebben rondgevraagd, maar dat het niet is gelukt om een afspraak te krijgen en zij daarom uiteindelijk naar Duitsland zijn gegaan, is onvoldoende en leidt – gelet op dat wat hiervoor is overwogen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel – niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Banden met NederlandHet betoog van eisers
9. Eisers stellen dat er ten onrechte geen afhankelijkheidsrelatie met hun zoon, die met zijn gezin in Nederland verblijft, is aangenomen. Zij hebben veel steun aan de zoon en hij gaat mee naar doktersafspraken. Eisers stellen dat zij om die reden sterkere banden met Nederland hebben, dan met Bulgarije. De minister heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden.
Het oordeel van de rechtbank
10. Het uitgangspunt is dat, nu eisers in het bezit zijn van een verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming, sprake is van een zodanige band met Bulgarije en is die band sterker dan de band met Nederland. [10] Anders dan eisers betogen, is de rechtbank van oordeel dat alle feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de band met Nederland voldoende zijn meegewogen. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat
eisers met hun verklaringen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de band die zij met Nederland hebben sterker is dan de band met Bulgarije.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor een oordeel over artikel 8 van Pro het EVRM, gelet op wat hiervoor is overwogen. Eisers kunnen dit zo nodig naar voren in een separate procedure die hierop ziet. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Geregistreerd onder zaaknummers: NL25.45195 en NL25.45197
4.Dat volgt uit de artikelen 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en 3.109ca, eerste lid, van het Vb.
5.Asylum Information Database (AIDA) Country report on Bulgaria van 27 maart 2025 (update 2024), pagina’s 124 en 90.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (arrest Ibrahim).
8.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3966, r.o. 4.2.
10.Artikel 3.106a tweede en derde lid vb.