ECLI:NL:RBDHA:2026:1628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2131
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 8 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling in asielprocedure

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat de maatregel te laat was omgezet, dat de grondslag onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen zicht op uitzetting bestond. De rechtbank oordeelde dat de vraag over de tijdigheid van omzetting niet in dit beroep kan worden beoordeeld, maar in een eerder beroep tegen de oorspronkelijke maatregel.

De rechtbank vond de motivering van de maatregel voldoende, met name dat de asielaanvraag van eiser louter was ingediend om uitzetting te frustreren. Ook het lopende beroep en verzoek om voorlopige voorziening deden hieraan niet af.

Ten slotte stelde de rechtbank vast dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Eisers gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting en heeft schriftelijk gronden ingediend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is de maatregel van bewaring te laat omgezet?
1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. De vorige maatregel van bewaring was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. [1] Eiser heeft op 9 januari 2026 een herhaalde asielaanvraag ingediend. De maatregel is echter pas op 13 januari 2026 omgezet naar een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vw 2000. De minister heeft dit tijdverloop toegeschreven aan capaciteitsproblemen binnen de vreemdelingenketen en aan weersomstandigheden. Deze omstandigheden komen echter voor rekening en risico van de minister, aldus eiser.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of de maatregel van bewaring te laat is omgezet kan naar het oordeel van de rechtbank niet in onderhavig beroep worden beantwoord. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat eiser een dergelijke vraag aan de orde dient te stellen in een eerste beroep tegen de eerdere maatregel van 6 oktober 2025 of, als de rechtbank hier al over heeft geoordeeld, in een beroep tegen het voortduren daarvan. [2]
Is de grondslag van de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd?
2. Eiser betoogt dat de omzetting van de maatregel van bewaring mede gebaseerd is op het standpunt dat eiser de asielaanvraag van 9 januari 2026 zou misbruiken om de uitvoering van het terugkeerbesluit te frustreren (de c-grond). [3] Volgens eiser is dit standpunt innerlijk tegenstrijdig. De asielaanvraag is namelijk inhoudelijk beoordeeld door de minister en er loopt nog een beroepsprocedure en een verzoek om voorlopige voorziening. Daarom kan niet worden volgehouden dat sprake is van een asielaanvraag die uitsluitend is ingediend ter vertraging van uitzetting.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring (ook) op de c-grond kon worden opgelegd. In de maatregel is voldoende gemotiveerd dat op redelijke gronden kan worden aangenomen dat de aanvraag van eiser louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiser heeft immers eerder aanvragen om een verblijfsvergunning [4] gedaan, laatstelijk op 2 oktober 2025. [5] Deze laatste asielaanvraag heeft eiser na vier dagen alweer ingetrokken. Vervolgens heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend op het moment dat er al een laissez-passer (lp) was afgegeven door de Algerijnse autoriteiten en er een nieuwe vlucht gepland stond. Hierbij is ook van belang dat eiser geweigerd heeft mee te werken aan de eerdere uitzetting die gepland stond op 29 december 2025. Dat er nog een beroepsprocedure en een verzoek om voorlopige voorziening loopt tegen de afwijzing van eisers herhaalde asielaanvraag doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestaat er zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn bestaat, omdat het beroep tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag nog loopt en de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en de uitzetbaarheid van eiser nog ter rechterlijke toetsing voorliggen.
3.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De reden hiervoor is dat artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vw 2000 deugdelijke wettelijke grondslagen zijn om een vreemdeling die zich nog in een asielprocedure bevindt in bewaring te stellen. Op grond van deze bepalingen kan een vreemdeling in bewaring worden gesteld, zowel in de situatie dat hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag en (daardoor) rechtmatig verblijf heeft, als wanneer hij een rechtsmiddel tegen de afwijzing daarvan heeft ingesteld en tijdig een voorlopige voorziening heeft gevraagd. [6] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting, bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, geen voorwaarde is. [7] Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Deze maatregel is opgelegd op 6 oktober 2025.
2.ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67.
3.Zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000.
4.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000.
5.Op 3 november 2023 en op 2 oktober 2025.
6.Op grond van artikel 8, onder f en h, van de Vw 2000.
7.Zie ABRvS 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552 en ABRvS 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.
8.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).