De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat de maatregel te laat was omgezet, dat de grondslag onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen zicht op uitzetting bestond. De rechtbank oordeelde dat de vraag over de tijdigheid van omzetting niet in dit beroep kan worden beoordeeld, maar in een eerder beroep tegen de oorspronkelijke maatregel.
De rechtbank vond de motivering van de maatregel voldoende, met name dat de asielaanvraag van eiser louter was ingediend om uitzetting te frustreren. Ook het lopende beroep en verzoek om voorlopige voorziening deden hieraan niet af.
Ten slotte stelde de rechtbank vast dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.