Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, diende op 31 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 9 juni 2025 al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend. Duitsland werd verzocht hem terug te nemen, wat werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege het AIDA-rapport 2024 en dat verweerder onvoldoende onderzoek deed naar zijn toegang tot een effectieve asielprocedure, rechtsbijstand en medische zorg in Duitsland. Ook stelde hij dat zijn medische situatie onvoldoende werd meegewogen en dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening op zijn situatie passend was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De medische stukken gaven geen inzicht in een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. Ook was onvoldoende gebleken van bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het Tarakhel-arrest.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de asielaanvraag terecht niet in behandeling nam en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is.