ECLI:NL:RBDHA:2026:16407

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18346
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30 VwVerordening (EU) 604/2013Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 29 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit werd bevestigd door het visum dat Frankrijk aan eiser had verleend en de acceptatie van het overdrachtsverzoek door Frankrijk op 30 januari 2026.

Eiser voerde aan dat het Dublingehoor onvoldoende onderzoek deed naar zijn persoonlijke en medische omstandigheden, met name zijn depressieve klachten. De rechtbank oordeelde dat het gehoor voldoende gelegenheid bood om relevante omstandigheden te bespreken, inclusief de medische situatie, en dat eiser geen aanvullingen na het gehoor heeft ingediend. Ook het gebruik van een standaardvoornemen werd niet als onzorgvuldig beoordeeld, aangezien alle relevante overwegingen waren opgenomen en eiser de mogelijkheid had om te reageren.

Ten aanzien van de medische situatie stelde eiser dat overdracht aan Frankrijk een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren vanwege ernstige psychische klachten en suïcidale gedachten. De rechtbank stelde dat eiser niet met objectieve medische stukken had aangetoond dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang zou leiden. De medicatie sloeg goed aan en de medische voorzieningen in Frankrijk worden geacht vergelijkbaar en toegankelijk te zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.18346

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Als toehoorder was aanwezig een ervaringsdeskundige van Stichting [stichting] , tevens begeleider van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1972 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 29 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in het EU-VIS-systeem is gebleken Frankrijk aan eiser een visum heeft verleend dat geldig was van 10 juli 2025 tot en met 9 januari 2026. Het visum was nog geldig ten tijde van de indiening van eisers asielaanvraag. Om die reden heeft verweerder op 3 december 2025 de Franse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 30 januari 2026 aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vanaf die datum vaststaat.
Onzorgvuldig gehoor
3. Eiser voert aan dat verweerder tijdens het Dublingehoor onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn medische situatie en depressieve klachten. Het gehoor was te kort en de vragen waren te summier om deze omstandigheden naar voren te brengen.
4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank stelt vast dat uit het gehoorverslag blijkt dat aan eiser is aan gevraagd of hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelde om het gehoor te laten plaatsvinden. Deze vraag heeft hij bevestigend beantwoord. [3] Verder blijkt uit het gehoorverslag dat eiser op meerdere momenten de gelegenheid heeft gekregen om omstandigheden naar voren te brengen die volgens hem relevant waren voor de beoordeling van zijn zaak. Zo heeft hij aan het einde van het gehoor, naar aanleiding van de vraag of hij nog iets aan zijn eerdere verklaringen wilde toevoegen, uit eigen beweging verklaard dat hij door eerdere ervaringen depressieve klachten heeft ontwikkeld en daarvoor medicatie ontvangt. [4] Eiser heeft zijn medische situatie daarmee onder de aandacht van verweerder kunnen brengen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser na afloop van het gehoor geen correcties of aanvullingen heeft ingediend. Ook heeft hij in de zienswijze de gelegenheid gehad zijn medische situatie nader toe te lichten. Daarnaast is niet gebleken dat eiser door de wijze van horen in zijn belangen is geschaad. Hoewel het gehoor in het geval van eiser slechts vijftien minuten heeft geduurd, was het voldoende om de voor de beoordeling van zijn zaak relevante omstandigheden naar voren te brengen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar eisers persoonlijke omstandigheden.
Standaardvoornemen
5. Verder voert eiser aan dat het voornemen niet voldoet aan de eisen die de Afdeling [5] heeft geformuleerd in haar uitspraak van 11 april 2025. [6] Niet alle dragende overwegingen zijn in het voornemen opgenomen, zodat is gehandeld in strijd met het verdedigingsbeginsel. Verweerder had kenbaar moeten motiveren waarom eisers individuele omstandigheden niet aan overdracht aan Frankrijk in de weg staan. In plaats daarvan heeft verweerder gebruikgemaakt van standaardtekstblokken zonder dossiergericht maatwerk. Volgens eiser is zijn zaak daarnaast niet vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 11 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd over de wijze waarop het Dublingehoor heeft plaatsgevonden.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 [7] en 11 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een standaardvoornemen in een Dublinprocedure niet betekent dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Verweerder heeft in het voornemen alle voor zijn standpunten dragende overwegingen opgenomen. Het indienen van een zienswijze biedt eiser vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit vervolgens gemotiveerd waarom eisers individuele omstandigheden niet aan overdracht aan Frankrijk in de weg staan.
7. Voor zover eiser aanvoert dat zijn zaak niet vergelijkbaar is met de zaak die voorlag in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, merkt de rechtbank op dat dit argument in wezen betrekking heeft op de vraag of eiser tijdens het Dublingehoor voldoende gelegenheid heeft gehad zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen. Die vraag raakt de zorgvuldigheid van het gehoor en niet de eisen die aan het voornemen worden gesteld. Op dat punt verwijst de rechtbank naar hetgeen in rechtsoverwegingen 3 en 4 is overwogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van Pro het EVRM [8]
8. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en dat hij niet zonder risico op schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM aan Frankrijk kan worden overgedragen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn psychische klachten ernstiger zijn dan uit het GZA-journaal blijkt. Daarbij heeft hij gewezen op verklaringen van zijn begeleider, die hem al langere tijd begeleidt en stelt dat eiser ernstige psychische klachten heeft, waaronder suïcidale gedachten. Het GZA-journaal geeft daarom geen volledig beeld van zijn gezondheidssituatie. Eiser vreest dat zijn psychische toestand bij overdracht aan Frankrijk zal verslechteren, mede gelet op zijn traumatische ervaringen en zijn angst om naar Frankrijk terug te keren.
9. Uit het arrest C.K. [9] volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Eiser is hierin niet geslaagd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten heeft, maar ook dat de voorgeschreven medicatie goed aanslaat, zijn klachten daardoor zijn afgenomen en hij tevreden is over zijn huidige situatie. [10] De enkele stelling van eiser en zijn begeleider dat zijn psychische klachten ernstiger zijn dan uit het GZA-journaal blijkt, is zonder nadere medische onderbouwing onvoldoende voor een ander oordeel.
10. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om hem te behandelen of dat de medische behandeling die hij nodig heeft niet in Frankrijk aanwezig en toegankelijk is. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan van eiser als Dublinclaimant. [11] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie anders is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers medische situatie of anderszins tot een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) 604/2013.
3.Aanmeldgehoor Dublin van 6 december 2025, p. 2 van 5.
4.Aanmeldgehoor Dublin van 6 december 2025, p. 4 van 5.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:1642.
7.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2023:4348.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
10.GZA-journaal van 29 april 2026, p. 1-2 van 4.
11.Uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.