ECLI:NL:RBDHA:2026:16456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 VwArt. 5.3 VvArt. 1.3 VvArt. 10:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel van vreemdelingenbewaring en proceskostenveroordeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 30 mei 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 12 juni 2026 via telehoren.

Eiser voerde aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag had plaatsgevonden en dat de maatregel onbevoegd was genomen omdat niet was vermeld namens welk bestuursorgaan de bevoegdheid was uitgeoefend. De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet had plaatsgevonden en dat de ondertekenaar bevoegd was. Wel constateerde de rechtbank een strijd met artikel 10:10 van Pro de Awb omdat de mandaatvermelding ontbrak.

De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe en oordeelde dat eiser niet was benadeeld door het vormgebrek. De inhoudelijke gronden voor de bewaring werden voldoende gemotiveerd en niet betwist. De rechtbank concludeerde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en dat een lichter middel niet passend was. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met veroordeling van de minister in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30866

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 30 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. F. Boone, zijn op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Daar is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt, dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens, die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. Eiser stelt dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Eiser stelt dat hij opgehouden had moeten worden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie voorafgaand aan de overdracht nog niet vaststonden. Bovendien wordt eiser in de maatregel juist verweten dat hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Daarnaast stelt eiser dat uit het dossier blijkt dat er verschillende systemen zijn geraadpleegd ter onderzoek naar zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is bij de autoriteiten bekend onder de gegevens die ook in het strafrechtelijke traject zijn gehanteerd. Bij de overname en ophouding uit strafrechtelijke detentie was daarom voldoende duidelijk wie eiser was, zodat de ophouding kon geschieden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Dat eiser wordt verweten dat hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit, kan hieraan niet afdoen.
6. Daarnaast stelt eiser dat de maatregel van bewaring onbevoegd is genomen en dat deze daarom onrechtmatig moet worden geacht. Uit de maatregel blijkt volgens eiser niet dat de ondertekenaar heeft gehandeld namens een minister of staatssecretaris, noch dat er sprake is van mandaatverlening. De vermelding van de naam en/of functie van de ondertekenaar is daarvoor onvoldoende, stelt eiser. Op grond van artikel 10:10 van Pro de Awb [2] dient bij een krachtens mandaat genomen besluit te worden vermeld namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. Nu deze vermelding ontbreekt, kan volgens eiser niet worden vastgesteld dat de maatregel door of namens het bevoegd bestuursorgaan is genomen. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat, nu het gaat om een besluit tot vrijheidsbeneming, er strikte eisen gelden voor de bevoegdheidsgrondslag. Het ontbreken van een kenbare mandaatvermelding betreft volgens eiser een gebrek in de bevoegdheid tot het nemen van de maatregel en kan niet als een louter formeel gebrek worden aangemerkt. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel daarom vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is en verwijst hierbij naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 juni 2026. [3] Eiser wijst erop dat de rechtbank in deze uitspraak het gebrek ten onrechte heeft gepasseerd omdat eiser van mening is dat het besluit in een keer goed dient te zijn. Daarnaast betwist eiser de bevoegdheid van de ambtenaar die de maatregel heeft ondertekend.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de maatregel op de juiste wijze is ondertekend omdat de maatregel is opgelegd door een bevoegde ambtenaar en verwijst daarbij naar artikel 5.3 van het Vv. [4] De minister wijst erop dat bovenaan de maatregel staat opgenomen dat de ondergetekende een ambtenaar is als bedoeld in art. 5.3 van het Vv. Daarnaast wijst de minister op artikel 1.3 van het Vv waaruit blijkt dat de bevoegdheden die genoemd zijn in het Vv, worden uitgeoefend namens de minister. De minister volgt de aangehaalde uitspraak door eiser niet en wijst erop dat er nog hoger beroep tegen deze uitspraak kan worden ingediend. De minister verwijst subsidiair naar een uitspraak van de Afdeling [5] waaruit volgt dat de minister, ondanks een gebrek, geen proceskosten schuldig is. [6]
6.2.
Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van het Vv wordt de maatregel, bedoeld in artikel 59 van Pro de Vw opgelegd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Vw, die tevens hulpofficier van justitie is, door de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van politie of van de Koninklijke marechaussee die daartoe is aangewezen door de korpschef, respectievelijk de Commandant der Koninklijke marechaussee, of door de daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek of de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van artikel 1.3, eerste volzin, van het Vv worden, voor zover uit een wettelijk voorschrift niet anders voortvloeit, de bevoegdheden genoemd in deze regeling uitgeoefend namens de minister. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel niet is vermeld dat de bevoegdheid tot het opleggen van voorliggende maatregel van bewaring is uitgeoefend namens de Minister van Asiel en Migratie. Op grond van artikel 1.3, eerste volzin, van het Vv dient dit wel te worden vermeld. Dat is in strijd met artikel 10:10 van Pro de Awb, waarin is bepaald dat een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. De rechtbank overweegt verder dat, voor zover eiser aanvoert dat de ondertekenaar van de maatregel niet bevoegd was om namens de minister te tekenen, dit betoog niet slaagt. De maatregel is opgelegd en ondertekend door een daartoe op grond van artikel 5.3 van het Vv door de korpschef expliciet aangewezen ambtenaar van de politie. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de ondertekenaar onbevoegd was om de maatregel van bewaring jegens eiser op te leggen.
6.3.
Op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb kan de maatregel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. [7] Het niet voldoen aan de vormvoorschriften voor de ondertekening van de maatregel doet niet af aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de maatregel heeft opgelegd. Eiser heeft ook niet onderbouwd op welke manier hij benadeeld is door de strijdigheid met artikel 10:10 van Pro de Awb. Daarnaast is eiser voor het opleggen van de maatregel met behulp van een beëdigde tolk Frans medegedeeld dat het voornemen bestond om hem in vreemdelingenbewaring te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door de onjuiste ondertekening en de rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op grond van art. 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten. De rechtbank ziet in de verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 13 februari 2007 geen aanleiding voor een ander oordeel.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. [8]
Gronden
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijk of belemmert.
Lichter middel
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
9.1.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar zijn gemaakt en voldoende zijn betrokken bij de beoordeling van de maatregel. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is, en dat, mocht zich onverhoopt medische dan wel psychische problematiek voordoen, de behandeling in de detentie- en uitzetcentra kan worden aangevraagd, gestart dan wel voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
9.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten aanzien van de asielaanvraag van eiser. Er heeft een gehoor opvolgende asielaanvraag plaatsgevonden op 30 mei 2026 en op 10 juni 2026 is er een voornemen uitgebracht.
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [9]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Gelet op de geconstateerde strijd met artikel 10:10 van Pro de Awb is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Rb Den Haag (Rotterdam), 10 juni 2026, NL26.29428.
4.Voorschrift Vreemdelingen 2000.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
9.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).