ECLI:NL:RBDHA:2026:1646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
23/5719
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4.19 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6.1 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming planschade en nadeelcompensatie bevestigd door rechtbank Den Haag

Eisers, eigenaren van een vrijstaande woning, dienden een verzoek in voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie vanwege het bestemmingsplan en latere herzieningen. Het college wees dit verzoek af op advies van SAOZ, die concludeerde dat geen sprake was van directe of indirecte planschade en dat nadeelcompensatie niet toekwam vanwege het ontbreken van connexiteit.

Eisers stelden beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank behandelde het beroep samen met vergelijkbare zaken en concludeerde dat het college terecht het verzoek had afgewezen. Eisers trokken hun beroepsgrond over directe planschade in en kregen geen vergoeding voor deskundigenkosten omdat geen planschadevergoeding was toegekend.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden met 25 maanden, waardoor eisers recht hadden op een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-. Het college werd veroordeeld tot betaling van € 1.300,- en de Staat tot € 1.200,-. Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding voor het beroep zelf.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om tegemoetkoming in planschade en nadeelcompensatie wordt afgewezen, met een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5719

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers

(gemachtigden: mr. E.G.J.M. Meijer en E.H. Elmendorp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie en planschade terecht heeft afgewezen
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een verwijzing naar de uitspraak in zaak 23/5716. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 5 is het toetsingskader weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank onder 7 in op de directe planschade. Vervolgens gaat de rechtbank onder 8 in op de deskundigenkosten en onder 9 op de overschrijding van de redelijke termijn. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld tegelijk met zaken 23/5716, 23/5721, 23/5724, 23/5726, 23/5727, 23/5728, 23/5731, 23/5732, 23/5734, 23/5735, 23/5736, 23/5737, 23/5738 en 23/5739. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers, de gemachtigde van het college, [naam 1] namens het college en mr. [naam 2] als deskundige van het college.
2.4.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Verwijzing naar uitspraak in zaak SGR 23/5716
3. Deze zaak is tegelijk behandeld met onder meer de zaak SGR 23/5716. Die zaak gaat over een vergelijkbaar verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in die zaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers zijn eigenaar van een vrijstaande woning aan de [adres] in [plaats]. Eisers stellen dat zij schade ondervinden door het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]” en latere herzieningen daarvan. Zij hebben daarom op 27 januari 2020 bij het college een verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie ingediend. Eisers schatten dat hun schade € 1.400.000,- bedraagt.
4.1.
Het college heeft het verzoek van eisers voorgelegd aan de Stichting adviesbureau onroerende zaken (SAOZ). SAOZ heeft op 22 oktober 2021 advies uitgebracht. In het advies is een vergelijking gemaakt tussen het oude bestemmingsplan “[bestemmingsplan 2]” inclusief de herzieningen daarvan en het nieuwe bestemmingsplan [bestemmingsplan 1] en de herzieningen daarvan. SAOZ concludeert dat geen van de door eisers genoemde schadefactoren heeft geleid tot indirecte planschade. SAOZ concludeert dat ook geen sprake is van directe planschade, omdat een groter bruto vloeroppervlak gerealiseerd mag worden dan onder het oude planologische regime.
4.2.
Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie heeft SAOZ geconcludeerd dat het college voor de ontwikkeling van het gebied Vroondaal alleen het bestemmingsplan heeft vastgesteld en geen andere publiekrechtelijke besluiten heeft genomen. Daarop is alleen de planschaderegeling van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. Voor het overige zien de redenen die eisers aan het verzoek om nadeelcompensatie ten grondslag leggen op privaatrechtelijke handelingen dan wel gestelde onrechtmatige gedragingen van het college. De zogenaamde connexiteit die is vereist voor nadeelcompensatie ontbreekt volgens SAOZ, zodat eisers geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding.
4.3.
Bij het opstellen van het advies heeft SAOZ eisers de mogelijkheid gegeven een zienswijze in te dienen op het conceptadvies. In dat kader hebben eisers een zienswijze en taxatie laten opstellen door de Johan van Oldenbarnevelt Stichting. SAOZ heeft naar aanleiding daarvan enkele aanpassingen aangebracht in het definitieve advies.
4.4.
Het college heeft het advies van SAOZ overgenomen en het planschadeverzoek afgewezen en het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie. Eisers zijn het hiermee niet eens.
Toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Daarvoor moet de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.
5.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.
Onafhankelijkheid SAOZ, indirecte planschade en nadeelcompensatie
6. In deze zaak zijn beroepsgronden aangevoerd die gelijk zijn aan de beroepsgronden die in zaak SGR 23/5716 zijn aangevoerd. Voor het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de beroepsgronden over de onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade en het verzoek om nadeelcompensatie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van vandaag in zaak SGR 23/5716, waarin is gemotiveerd waarom deze beroepsgronden niet slagen.
Directe schade
7. Tijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers de beroepsgrond die ziet op de directe planschade ingetrokken. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over deze beroepsgrond.
Deskundigenkosten
8. Eisers vinden dat het college een vergoeding voor door hen gemaakte deskundigenkosten had moeten toekennen. Die kosten bestaan uit € 4.000,- voor het opstellen van de zienswijze en € 1.500,- voor het opstellen van de taxatie.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat kosten van deskundigen alleen voor vergoeding in aanmerking komen als een tegemoetkoming in planschade is toegekend. Dat is hier niet het geval, dus moest het college het verzoek om deskundigen- en taxatiekosten afwijzen.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat de in verband met een aanvraag gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen als geen vergoeding van planschade wordt toegekend. [1] Eisers hebben daarom geen recht op een vergoeding van de door hen gemaakte deskundigenkosten.
Overschrijding redelijke termijn
9. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
9.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het (pro forma) bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
9.2.
Het bezwaarschrift dateert van 14 december 2021. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond naar boven) 49 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 25 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eisers aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Eisers hebben gezamenlijk recht op een schadevergoeding van € 2.500,-.
9.3.
De beslissing op bezwaar is op 7 juli 2023 genomen. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met afgerond dertien maanden overschreden. Van de overschrijding van de redelijke termijn moeten daarom dertien maanden aan de bezwaarfase worden toegerekend en de overige twaalf maanden aan de beroepsfase. Het college moet daarom een bedrag van € 1.300,- (13/25 van € 2.500,-) vergoeden. De Staat moet een bedrag van € 1.200,- (12/25 van € 2.500,-) vergoeden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek om tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen en het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om nadeelcompensatie terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten voor de behandeling van het beroep. Eisers krijgen wel een vergoeding van hun proceskosten voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Vanwege de grote overlap in beroepsgronden met de veertien andere zaken en omdat deze zaken tijdens dezelfde zitting zijn behandeld, hoeft het college de proceskosten echter niet in alle zaken te vergoeden. De rechtbank heeft de vergoeding van de proceskosten al toegekend in zaak SGR 23/5716. Bij het berekenen van die proceskostenvergoeding is al rekening gehouden met de samenhang met deze zaak.
10.1.
De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.300,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.200,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.300,-;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes , voorzitter, en mr. A.C. de Winter en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:529 en van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.