ECLI:NL:RBDHA:2026:16471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 12 DublinverordeningArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 18 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit werd bevestigd door het feit dat eiser eerder een visum van Frankrijk had en Frankrijk het verzoek tot overname had aanvaard.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij in Frankrijk geen stabiele opvang of bescherming heeft ontvangen en dat zijn familiebanden in Nederland een beschermingswaardig belang vormen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast en dat de Dublinverordening geen grond biedt voor verblijf op basis van familiebanden.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen en dat het beroep kennelijk ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 17 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en wijst het af omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28348

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 20 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2004. Eiser heeft op 18 februari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Frankrijk in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 1 januari 2026 tot en met 15 februari 2026. Op grond van artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Op 12 mei 2026 hebben de Franse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. De enkele verwijzing van verweerder naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk is onvoldoende. Eiser heeft in Frankrijk geen toegang gehad tot stabiele opvangvoorzieningen of bescherming gekregen van de Franse autoriteiten. Er zijn al geruime tijd tekortkomingen binnen de Franse opvangvoorzieningen. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van een beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [3] Eiser heeft een hecht familienetwerk bestaande uit tantes, neven en nichten in Nederland. Hij is afhankelijk van zijn familieleden voor begeleiding, opvang en emotionele ondersteuning. Verweerder had gelet hierop aanleiding moeten zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [4] volgt dat bij Frankrijk nog altijd van dit beginsel kan worden uitgegaan. [5] Uit deze uitspraken blijkt weliswaar dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar niet dat deze dermate structureel en ernstig zijn dat overdracht strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Verder wordt opgemerkt dat eiser geen ervaringen heeft met de asielprocedure in Frankrijk, nu hij geen asielaanvraag in dat land heeft ingediend. Eiser zal nu worden overgedragen aan Frankrijk als Dublinclaimant. Niet gebleken is dat voor Dublinterugkeerders geen opvang beschikbaar is. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het aanvaarden van het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan hij zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder bij de beoordeling van zijn overdrachtsbesluit in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van Pro het EVRM. De Dublinverordening beoogt waarborgen te bieden voor het familie- en gezinsleven, die hun weerslag vinden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van die verordening. Deze artikelen bieden voor eiser geen uitkomst. De Dublinverordening is op zichzelf niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen.
6. De wens van eiser om bij zijn in Nederland verblijvende familieleden te verblijven is begrijpelijk, maar verweerder heeft de relatie tussen eiser en familieleden in redelijkheid niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623