Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.15551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:72 AwbArtikel 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Jezidi in Koerdische Autonome Regio

Eiser, een Jezidi afkomstig uit Irak, diende op 30 september 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 19 maart 2026 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser betwistte deze afwijzing en stelde dat hij bij terugkeer naar de Koerdische Autonome Regio (KAR) een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege discriminatie, geweld en slechte leefomstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de situatie in de KAR sinds 2024 zou zijn verbeterd en waarom eiser geen risico op schending van artikel 3 EVRM Pro zou lopen. De minister achtte de identiteit van eiser ongeloofwaardig vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van documenten, maar de rechtbank vond deze beoordeling terecht.

De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de slechte situatie in de ontheemdenkampen en het gebrek aan basisvoorzieningen, zoals blijkt uit recente ambtsberichten. Daarom is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en wordt het vernietigd. De minister krijgt acht weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering van het risico op ernstige schade bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

alias
[naam]
alias
[naam]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag [1] van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 september 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

4. Eiser is in 2019 of 2020 Europa ingereisd en heeft op 19 februari 2020 in Duitsland asiel aangevraagd. Eiser heeft verklaard dat deze asielaanvraag is afgewezen. Uit de gegevens van de Duitse autoriteiten is gebleken dat eiser daar bekend is onder twee aliassen.
4.1.
De minister heeft eiser op 5 juni 2023 laten weten dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure zal worden behandeld, omdat hij niet op tijd is overgedragen aan Duitsland.
5. De minister heeft de aanvraag van eiser op 28 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen dat besluit op
1 juli 2025 gegrond verklaard. [3] De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de minister in het besluit op de asielaanvraag van eiser een standpunt moet innemen over de vraag naar waar in Irak eiser moet terugkeren, omdat dat van belang is om te kunnen beoordelen of hij bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
6. De minister heeft eiser naar aanleiding van deze uitspraak aanvullend gehoord. Met het bestreden besluit heeft de minister eisers aanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
7. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Irak als Jezidi werd gediscrimineerd, dat hij slachtoffer is geworden van een aanval door Islamitische Staat en daarna in een tentenkamp heeft gewoond. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Irak geen werk en huisvesting kan krijgen, dat hij opnieuw met discriminatie te maken zal krijgen en dat hij slachtoffer zal worden van de algehele slechte en onveilige situatie van Jezidi’s in de KAR. [4]
Het bestreden besluit
8. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiser werd gediscrimineerd omdat hij Jezidi is.
9. De minister vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft geen documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Eiser heeft verder tegenstrijdig verklaard over het feit dat hij geen documenten heeft overgelegd. Verder vormen eisers verklaringen over zijn identiteit volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser staat in Duitsland geregistreerd met twee andere namen en geboortedata dan hij in Nederland heeft opgegeven. De verklaring die eiser daarvoor geeft, strookt niet met de gegevens in Duitsland. Bovendien heeft eiser geen plausibele verklaring gegeven voor het opgeven van de afwijkende gegevens in Duitsland. De minister volgt ook niet eisers verklaring dat de Duitse autoriteiten vermoedelijk verantwoordelijk zijn voor de aliassen. Het is bovendien eiser eigen verantwoordelijkheid om onjuiste gegevens te laten corrigeren.
9.1.
De minister vindt asielmotief 2, dat eiser werd gediscrimineerd omdat jij Jezidi is, geloofwaardig.
9.2.
De minister vindt verder dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het Algemeen Ambtsbericht Irak 2023 blijkt niet meer dat Jezidi’s door hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Ook is geen sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarom merkt de minister deze groep niet meer aan als risicoprofiel. De minister toetst bij de beoordeling of hij aan eiser internationale bescherming moet verlenen aan de normale woon- en verblijfplaats voorafgaand aan eisers vertrek uit Irak. Dat is voor eiser de KAR. Eiser heeft namelijk voorafgaand aan zijn vertrek van 2014 tot 2019 verbleven in Dayrabun. Volgens de minister is uit eisers verklaringen niet gebleken dat de discriminatie eiser zo ernstig heeft beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Eiser heeft tot de derde klas van de middelbare school onderwijs gevolgd en is gestopt om financiële redenen. Verder had eiser toegang tot de arbeidsmarkt, kreeg hij zorg in het ziekenhuis, woonde hij in een vluchtelingenkamp en heeft hij een identiteitskaart gehad. Bij terugkeer van eiser naar Dayrabun is volgens de minister geen sprake van schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [5] De minister wijst eisers asielaanvraag af als kennelijk ongegrond.
De zienswijze
10. Eiser verzoekt om de zienswijze als volledig herhaald en ingelast te beschouwen.
11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
De identiteit
12. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft op verzoek van zijn broer in Duitsland uit respect de personalia van zijn overleden broer opgegeven. Eiser kon dit niet laten verbeteren omdat hij geen identiteitsdocumenten had. Verder vermoedt eiser dat de tweede in Duitsland geregistreerde naam een andere persoon betreft en dat deze per ongeluk in zijn asieldossier in Duitsland terecht is gekomen. Er is verder volgens eiser geen tegenstrijdigheid in zijn verklaringen over het afgeven van zijn identiteitskaart aan de reisagent. Eisers familie heeft kopieën van zijn identiteitskaart en foto’s opgestuurd. Eiser heeft per vergissing eerst niet verteld dat het om een kopie ging, maar het was duidelijk dat hij op een kopie doelde. Eiser heeft dit tijdens het gehoor rechtgezet. Het postpakket is in het AZC door het COA kwijtgeraakt en dat kan eiser niet worden aangerekend.
13. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn identiteit aannemelijk te maken. Eiser is in Duitsland geregistreerd met twee andere namen dan de naam die hij in Nederland heeft opgegeven. De minister heeft kunnen overwegen dat eiser daarvoor geen plausibele verklaring heeft gegeven. Bovendien is niet gebleken dat eiser heeft geprobeerd om de registraties in Duitsland te (laten) aanpassen en heeft hij zijn stelling dat dat niet kon omdat hij geen identiteitsdocumenten had, niet onderbouwd. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn identiteitskaart. Dat eiser dit tijdens het nader gehoor heeft verbeterd, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat eiser dit pas heeft gedaan nadat de hoormedewerker hem met de tegenstrijdigheid heeft geconfronteerd. Eisers stelling dat hij een kopie van zijn identiteitsdocument heeft laten opsturen, maar dat het COa dit is kwijtgeraakt, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn familie documenten heeft opgestuurd en dat het COa het pakket heeft ontvangen en is kwijtgeraakt.
Problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep
14. Eiser voert aan dat hij als Jezidi in Irak behoort tot een zeer kwetsbare en gemarginaliseerde minderheidsgroep. De Jezidi’s staan bloot aan structurele discriminatie en geweld en kunnen daardoor geen normaal leven leiden, geen baan vinden en hebben geen toegang tot normale huisvesting of medische zorg. Zij krijgen geen bescherming van de autoriteiten. Eiser heeft zelf ook ernstige discriminatie en geweld ondervonden. Eiser kan bij terugkeer geen normale huisvesting en werk, scholing of zorg krijgen. In het ontheemdenkamp waar hij woonde is een gebrek aan basisvoorzieningen zoals voedsel, schoon drinkwater en medische zorg. Eiser overlegt ter onderbouwing van zijn standpunten een brief van Vluchtelingenwerk Nederland met bijlagen van 19 mei 2026.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij vanaf zijn derde of vierde met zijn familie in een huis in de plaats Dayrabun in de KAR heeft gewoond en dat hij na de aanval op Sinjar en de verwoesting van het huis in Dayrabun door IS in 2014 tot zijn vertrek in het tentenkamp ‘Baajit’ heeft gewoond. De rechtbank stelt vast dat de minister deze verklaringen geloofwaardig heeft geacht. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister de KAR heeft aangemerkt als de normale woon- of verblijfplaats van eiser en dat eiser dat niet heeft betwist. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser bij terugkeer naar de KAR gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.
16. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 4 februari 2025 [6] geoordeeld dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In haar uitspraak van 24 november 2025 [7] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de minister ook voor jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen moet motiveren wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.
17. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft verder geoordeeld [8] dat in het licht van de informatie uit het Thematisch ambtsbericht van november 2025 de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. [9]
18. Hoewel eiser niet afkomstig is uit de Sinjar-regio, acht de rechtbank bovengenoemde uitspraken van belang voor de situatie van eiser, nu de minister de KAR voor eiser heeft aangemerkt als gewone woon- of verblijfplaats. De rechtbank maakt daarom de overwegingen van die uitspraken tot de hare.
18.1.
De situatie in de KAR in de ontheemdenkampen en daarbuiten is van belang voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar de KAR een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eiser dat risico bij terugkeer naar de KAR niet zou lopen. Uit het Algemeen Ambtsbericht van november 2023 blijkt allereerst dat de situatie in de ontheemdenkampen in de KAR onverminderd slecht is. Het Algemeen Ambtsbericht vermeldt onder andere dat in de verslagperiode de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en andere basisvoorzieningen nog steeds beperkt was, dat vele ontheemden moeite hadden om toegang te krijgen tot werk en kwetsbaar waren voor voedselonzekerheid en dat armoede wijdverbreid was. [10] De rechtbank acht verder van belang dat uit het Thematisch Ambtsbericht van november 2025 onder andere blijkt dat in de ontheemdenkampen sprake is van terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties en een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg en psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. [11] Verder blijkt eruit dat in september 2025 drinkwater beschikbaar was in enkele ontheemdenkampen, namelijk Khanke, Essyan, Sharia en Kabarto I. [12] Uit het Thematisch Ambtsbericht, bestreden besluit of het verweerschrift blijkt niet hoe de algehele situatie is in het kamp ‘Baajit’ of in de plaats Deyrabun. Dat uit eisers verklaringen volgt dat hij in het verleden wel toegang had tot basisvoorzieningen, zegt naar het oordeel van de rechtbank niets over de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
19. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is alleen daarom al gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

20. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
20.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
20.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zaaknummer NL26.15552.
3.Zaaknummer NL25.19893.
4.Koerdistan Autonome Regio.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9623.
9.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
10.Zie het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023, p. 92 en 93.
11.Zie het Thematisch Ambtsbericht van november 2025, p. 11.
12.Zie het Thematisch Ambtsbericht van novemner 2025, p. 14.