ECLI:NL:RBDHA:2026:1654

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
23/5736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4.19 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6.1 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming planschade en nadeelcompensatie bevestigd

Eiser, eigenaar van een vrijstaande woning, verzocht het college om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie vanwege waardevermindering door het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]”. Het college wees dit verzoek af op advies van SAOZ, die concludeerde dat geen sprake was van directe of indirecte planschade en dat nadeelcompensatie niet toekwam vanwege het ontbreken van connexiteit.

Eiser stelde dat hij door het nieuwe bestemmingsplan beperkt werd in de bouwmogelijkheden, met name door een maximale bouwhoogte van negen meter, waardoor hij geen kapverdieping kon realiseren. De rechtbank oordeelde dat het bouwvlak juist was vergroot en dat de bouwmogelijkheden daardoor waren toegenomen, zodat geen sprake was van planologisch nadeel of directe schade.

Verder wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van deskundigenkosten af, omdat deze alleen vergoed worden indien planschade wordt toegekend. Wel werd eiser een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, waarbij het college en de Staat ieder een deel van het bedrag moesten betalen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding voor het beroep, maar wel voor het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om tegemoetkoming in planschade en nadeelcompensatie wordt afgewezen, met een vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5736

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigden: mr. E.G.J.M. Meijer en E.H. Elmendorp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie en planschade terecht heeft afgewezen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een verwijzing naar de uitspraak in zaak 23/5716. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 5 is het toetsingskader weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank onder 7 in op de directe planschade. Vervolgens gaat de rechtbank onder 8 in op de deskundigenkosten en onder 9 op de overschrijding van de redelijke termijn. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld tegelijk met zaken 23/5716, 23/5719, 23/5721, 23/5724, 23/5726, 23/5727, 23/5728, 23/5731, 23/5732, 23/5734, 23/5735, 23/5737, 23/5738 en 23/5739. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college, [naam] namens het college en mr. C.M.L. van der Lee als deskundige van het college.
2.4.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

Verwijzing naar uitspraak in zaak SGR 23/5716
3. Deze zaak is tegelijk behandeld met onder meer de zaak SGR 23/5716. Die zaak gaat over een vergelijkbaar verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in die zaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is eigenaar van een vrijstaande woning aan de [adres] . Eiser stelt dat hij schade ondervindt door het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” en latere herzieningen daarvan. Hij heeft daarom op 2 februari 2020 bij het college een verzoek om tegemoetkoming in de planschade en toekenning van nadeelcompensatie ingediend. Eiser stelt dat de waardevermindering van zijn woning minimaal € 300.000,- bedraagt.
4.1.
Het college heeft het verzoek van eiser voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). SAOZ heeft op 16 juli 2021 advies uitgebracht. In het advies is een vergelijking gemaakt tussen het oude bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” inclusief de herzieningen hiervan en het nieuwe bestemmingsplan [bestemmingsplan 1] en de herzieningen daarvan. SAOZ concludeert dat geen van de door eiser genoemde schadefactoren heeft geleid tot indirecte planschade. SAOZ concludeert dat ook geen sprake is van directe planschade omdat het bruto bouwoppervlak op het perceel van eiser is toegenomen. Ook wat betreft de verticale maatvoering is geen sprake van een nadeel maar veeleer van een voordeel, omdat het hele bouwvlak in de nieuwe situatie tot een bouwhoogte van negen meter bebouwd mag worden, terwijl onder het oude regime maximaal twee volwaardige bouwlagen met kap mochten worden gebouwd.
4.2.
Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie heeft SAOZ geconcludeerd dat het college voor de ontwikkeling van het gebied Vroondaal alleen het bestemmingsplan heeft vastgesteld en geen andere publiekrechtelijke besluiten heeft genomen. Daarop is alleen de planschaderegeling van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. Voor het overige zien de redenen die eiser aan het verzoek om nadeelcompensatie ten grondslag legt op privaatrechtelijke handelingen dan wel gestelde onrechtmatige gedragingen van het college. De zogenaamde connexiteit die is vereist voor nadeelcompensatie ontbreekt volgens SAOZ, zodat eiser niet met succes aanspraak kan maken op een vergoeding.
4.3.
Bij het opstellen van het advies heeft SAOZ eiser de mogelijkheid gegeven een zienswijze in te dienen op het conceptadvies. In dat kader heeft eiser een zienswijze en taxatie laten opstellen door de [stichting] Stichting. SAOZ heeft naar aanleiding daarvan enkele aanpassingen aangebracht in het definitieve advies.
4.4.
Het college heeft het advies van SAOZ overgenomen en het planschadeverzoek en het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Eiser is het hiermee niet eens.
Toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Daarvoor moet de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.
5.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.
Onafhankelijkheid SAOZ, indirecte planschade en nadeelcompensatie
6. In deze zaak zijn beroepsgronden aangevoerd die gelijk zijn aan de beroepsgronden die in zaak SGR 23/5716 zijn aangevoerd. Voor het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de beroepsgronden over de onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade en het verzoek om nadeelcompensatie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van vandaag in zaak SGR 23/5716, waarin is gemotiveerd waarom deze beroepsgronden niet slagen.
Directe schade
7. Eiser vindt dat het college ten onrechte geen tegemoetkoming in directe planschade heeft toegekend. De woning van eiser bestaat momenteel uit twee bouwlagen met een totale bouwhoogte van 7,80 meter. Doordat in bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” een bouwhoogte van negen meter is opgenomen, is het voor eiser niet mogelijk om op zijn woning een kapverdieping te realiseren. Hij verliest daardoor 48,75 m² woonoppervlak. Eiser vindt ook dat SAOZ bij de planvergelijking een hoger bebouwingspercentage als uitgangspunt had moeten nemen, omdat op een aantal percelen in [wijkdeel] impliciet een bebouwingspercentage van meer dan 25% is toegestaan.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van directe planschade. De woning van eiser bestond al uit twee bouwlagen, waardoor alleen nog een kap gerealiseerd kon worden. Daar staat tegenover dat het bouwareaal van eiser met het nieuwe bestemmingsplan met 75,25 m² is vergroot en dat over het gehele bouwvlak tot negen meter hoog mag worden gebouwd. Er is daarom volgens het college geen sprake van planologisch nadeel, maar juist van een voordeel. Ten aanzien van het grotere bebouwingspercentage stelt het college zich op het standpunt dat het voorheen geldende bestemmingsplan bepaalde dat het bebouwingspercentage maximaal 25% van het perceel mocht beslaan. Voor een aantal percelen is voor inwerkingtreding van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” een omgevingsvergunning verleend, op grond waarvan een groter gedeelte van het perceel bebouwd mocht worden. Daarmee is dus juist afgeweken van het bestemmingsplan.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Onder het oude bestemmingsplan kon eiser een hoofdgebouw realiseren dat bestond uit twee woonlagen met een kap, zonder dat een maximale bouwhoogte gold. Hoewel het klopt dat eiser door de maximale bouwhoogte die is opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” beperkt is in de mogelijkheid om zijn woning in verticale zin uit te breiden, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat eiser als gevolg hiervan geen directe planschade heeft geleden. Op grond van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” mocht eiser 25% van zijn perceel bebouwen. Door inwerkingtreding van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” beslaat het bouwvlak de oppervlakte van de bestaande woning. Het oppervlak van het bouwvlak is daarmee vergroot met 75,25 m² ten opzichte van de bouwmogelijkheden onder bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. Eiser heeft dit niet bestreden. Door deze vergroting van het bouwvlak kan een aanzienlijk groter aantal vierkante meters bebouwd worden met een hoofdgebouw dat bestaat uit twee bouwlagen met een kap dan onder het oude bestemmingsplan. Dit betekent dat het college in navolging van SAOZ heeft mogen aannemen dat de bouwmogelijkheden van eiser, ondanks de introductie van een maximale bouwhoogte, zijn toegenomen onder het nieuwe bestemmingsplan. Er is daarom geen sprake van een planologisch nadeel, zodat ook geen sprake kan zijn van directe schade.
7.2.1.
Anders dan eiser betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op grond van het oude bestemmingsplan impliciet een bebouwingspercentage van meer dan 25% gold. In de planregels stond namelijk dat de grondoppervlakte van de woonbebouwing inclusief bijgebouwen niet meer mocht bedragen dan 25% van de grondoppervlakte van het betrokken bouwperceel. Dat er binnen het plangebied ten tijde van het oude bestemmingsplan woningen zijn gebouwd die een groter deel van het bouwperceel innemen, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft toegelicht dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend voor bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Dat betreft geen planologische wijziging waardoor voor het perceel van eiser impliciet ook een hoger bebouwingspercentage zou zijn gaan gelden. Omdat bij het vaststellen van planschade de verschillende bestemmingsplannen met elkaar moeten worden vergeleken, heeft SAOZ terecht het in het bestemmingsplan vastgelegde bebouwingspercentage van 25% als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de bouwmogelijkheden onder het oude bestemmingsplan.
Deskundigenkosten
8. Eiser vindt dat het college een vergoeding voor door hen gemaakte deskundigenkosten hadden moeten toekennen. Die kosten bestaan uit € 4.000,- voor het opstellen van de zienswijze en € 1.500,- voor het opstellen van de taxatie.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat kosten van deskundigen alleen voor vergoeding in aanmerking komen als een tegemoetkoming in planschade is toegekend. Dat is hier niet het geval, dus moest het college het verzoek om deskundigen- en taxatiekosten afwijzen.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat de in verband met een aanvraag gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen als geen vergoeding van planschade wordt toegekend. [1] Eiser heeft daarom geen recht op een vergoeding van de door hem gemaakte deskundigenkosten.
Overschrijding redelijke termijn
9. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
9.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het (pro forma) bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
9.2.
Het bezwaarschrift is op 17 november 2021 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond) 50 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 26 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Eiser heeft recht op een schadevergoeding van € 2.500,-.
9.3.
De beslissing op bezwaar is op 7 juli 2023 genomen. De duur van een half jaar die voor de behandeling van het bezwaar redelijk wordt geacht is daarmee met afgerond veertien maanden overschreden. Van de overschrijding van de redelijke termijn moeten daarom veertien maanden aan de bezwaarfase worden toegerekend en de overige twaalf maanden aan de beroepsfase. Het college moet daarom een bedrag van € 1.346,15 (14/26 van € 2.500,-) vergoeden. De Staat moet een bedrag van € 1.153,85 (12/26 van € 2.500,-) vergoeden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek om tegemoetkoming in planschade mocht afwijzen en het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten voor de behandeling van het beroep. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Vanwege de grote overlap in beroepsgronden met de veertien andere zaken en omdat deze zaken tijdens dezelfde zitting zijn behandeld, hoeft het college de proceskosten echter niet in alle zaken te vergoeden. De rechtbank heeft de vergoeding van de proceskosten al toegekend in zaak SGR 23/5716. Bij het berekenen van die proceskostenvergoeding is rekening gehouden met de samenhang met deze zaak.
11. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.346,15 vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.153,85 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.346,15;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.153,85.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes, voorzitter, en mr. A.C. de Winter en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:529 en van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.