3.4.Bewijsoverwegingen
De beslissing dat de bewezenverklaarde feiten door de verdachte zijn begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd (bijlage II).
De rechtbank overweegt in het bijzonder, gelet op hetgeen door de raadsman van de verdachte daartoe naar voren is gebracht, het navolgende.
Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) niet betrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Betrouwbaarheid verklaring [naam 1]
heeft op 12 en 20 februari 2025 en op 10 juni 2025 bij de politie verklaringen afgelegd. De afgelegde verklaringen komen sterk met elkaar overeen. In hoofdlijnen verklaart hij over de feitelijke toedracht het volgende. [naam 1] liep samen met [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in het centrum. Zij werden door een persoon, bij hem bekend onder de bijnaam ‘ [bijnaam] ’, aangesproken voor een klus om tegen betaling een onbekend gebleven persoon in Rotterdam in zijn been te schieten. [naam 2] heeft deze opdracht aangenomen, terwijl [naam 1] bij de voorbereiding en poging tot uitvoering van die klus als ’doorgeefluik’ tussen [naam 2] en [bijnaam] opereerde. Zo heeft hij op 3 februari 2025 om 23:29 uur in opdracht van [bijnaam] aan [naam 2] gechat of hij “die waggie” zag. Dat ging volgens [naam 1] over de chauffeur die [naam 2] toen heeft opgehaald. Zo wist hij dat [naam 2] opgehaald ging worden om de klus te klaren. [bijnaam] had het voertuig geregeld. [naam 1] heeft verder ook verklaard over de persoon van [bijnaam] , onder meer dat hij zich vaak in het buitenland begaf, waaronder Slowakije dan wel Tsjechië ‘ofzo’. De verklaringen van [naam 1] zijn op deze punten consequent en gedetailleerd.
De verklaringen van [naam 1] vinden bovendien steun in overige bewijsmiddelen. Uit Snapchatberichten op de telefoon van [naam 2] blijkt dat hij in de nacht van 3 op 4 februari 2025 met iemand naar Rotterdam is gereden om aldaar iemand tegen betaling van € 2.000,- te poppen (de rechtbank begrijpt: neerschieten). Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat dit samen met [medeverdachte] was (hierna: [medeverdachte] ). De verklaringen van [naam 1] komen ook overeen met wat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard, namelijk dat hij samen met een ander een ‘
job’had aangenomen om iemand neer te schieten, waarbij [medeverdachte] opereerde als ‘
driver’(de rechtbank begrijpt: autobestuurder). De schutter zou tegen betaling van € 2.000.- een persoon in zijn been schieten. Daarnaast blijkt ook uit een schermafbeelding van een Snapchatbericht, aangetroffen in de telefoon van de verdachte, dat de eigenaar van het Snapchataccount ‘ [account] ’ op 1 februari 2025 aan een ander vraagt of diegene iemand heeft voor ‘
legday’(de rechtbank begrijpt: om iemand in diens benen te schieten).
[naam 1] ’s verklaringen over de omstandigheid dat [bijnaam] zich wel in Slowakije begaf, vinden ten slotte steun in onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat de verdachte vanaf
9 februari 2025 in Bratislava (Slowakije) is geweest.
Gelet op het voorgaande, en dit in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [naam 1] op voornoemde punten betrouwbaar zijn. De rechtbank zal de verklaringen van [naam 1] dan ook gebruiken voor het bewijs.
Feit 1 en 2: verdachte was opdrachtgever tot aanslag
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 2] en [medeverdachte] in de late avond/nacht van 3 op 4 februari 2025 vanuit Den Haag naar Rotterdam zijn gereden om een onbekend gebleven persoon in zijn been te schieten. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte degene is die door [naam 1] in zijn verklaringen ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd en die gebruik maakte van het Snapchataccount [account] . Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte [naam 2] en [naam 1] heeft benaderd om de aanslag tegen betaling uit te voeren en dat de verdachte tijdens de beoogde uitvoering in de nacht van 3 op 4 februari 2025 in contact stond met [medeverdachte] en [naam 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte, nadat bleek dat de aanslag in die nacht niet had kunnen doorgaan, op 5 februari 2025 heeft deelgenomen aan een groepsgesprek op Snapchat waarin wordt besproken dat [naam 2] problemen heeft veroorzaakt en waarin de verdachte (volgens de verklaring van [naam 1] ) zijn boosheid uitte over het feit dat [naam 2] het pistool nog bij zich had. Het staat voor de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die de opdracht heeft gegeven en [naam 2] en [naam 1] daarvoor geld in het vooruitzicht heeft gesteld. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt dat de verdachte in ieder geval het voertuig had geregeld. In het licht van het voorgaande en bij gebreke van enige aanwijzing in een andere richting, neemt de rechtbank ook als vaststaand aan dat de verdachte degene is geweest die er in het kader van de door hem gegeven opdracht voor heeft gezorgd dat een notitie met informatie over de beoogde aanslag en het pistool ergens in Rotterdam klaarlagen voor [naam 2] en [naam 1] .
Feit 2: kwalificatie mensenhandel
De raadsman heeft in de kern naar voren gebracht dat geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie ten aanzien van [naam 2] , de beoogde schutter. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen voor het vereiste oogmerk van (criminele) uitbuiting, zodat dit feit niet bewezen kan worden.
Juridisch kader Art. 273f, eerste lid, sub b, van het Wetboek van Strafrecht
Het in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten (met inbegrip van uitbuiting van strafbare activiteiten). De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is. De strafbare aard van de verrichte activiteiten en de minderjarige leeftijd van de betrokkene spelen in dit kader een belangrijke rol.(vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672). Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de 16-jarige [naam 2] heeft geworven met het doel om hem een onbekend gebleven persoon in diens been te laten schieten. Daartoe heeft hij onder meer instructies en een vuurwapen gegeven, alsmede een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. De verdachte was veel ouder (ruim meerderjarig) dan de nog jonge [naam 2] en, zo begrijpt de rechtbank uit diverse verklaringen, iemand met ervaring en aanzien in het criminele milieu. Hij probeerde controle te houden op [naam 2] door hem te bedreigen (hij moest de klus doen, anders zou hij “plat gaan”) en door foto’s van vuurwapens te sturen. Ook is er een groepsgesprek van 5 februari 2025, waarin de verdachte (toen nog niet bekend met de dood van [naam 2] ) op een zeer dwingende manier contact met hem zocht.
Daarnaast vloeit uit de leeftijd van [naam 2] voort dat zijn intelligentie en oordeelsvermogen nog niet volgroeid zijn. Om die reden dient hij dan ook minder goed in staat te worden geacht om de potentiële gevolgen van zijn handelen te voorzien. Niet in de laatste plaats is het feit dat de verdachte de jonge [naam 2] wierf voor het plegen van een ernstig strafbaar feit (en zelf buiten beeld probeerde te blijven), een element dat misbruik met zich meebrengt.
Anders dan de raadsman van de verdachte betoogt, heeft de verdachte hier ook economisch voordeel uit behaald. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat minderjarigen in het criminele circuit bereid zijn om dit soort klussen voor minder geld te doen dan volwassenen in het criminele circuit, en mede om die reden hiervoor worden geworven.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en tegen de achtergrond van het juridisch kader, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten aanzien van [naam 2] heeft gehandeld met het oogmerk had van uitbuiting als bedoeld in art. 273f, eerste lid, sub 2, Sr.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat onvoldoende vastgesteld kan worden dat de inhoud van het pakket dat door de verdachte is ontvangen, daadwerkelijk een stof bevatte die is vermeld op een van de lijsten bij de Opiumwet.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, via een buitenlands tegencontact, op respectievelijk 12 en 14 mei 2025 een FedEx-pakket heeft ontvangen. Beide FedEx-leveringen zijn afkomstig uit de Verenigde Staten. De verdachte deelt de ontvangst daarvan in diverse chatgesprekken. Daarbij bevestigt hij wat de inhoud daarvan is, te weten: rosin. De verdachte bevestigt dat hij 200 gram rosin heeft ontvangen en bespreekt met verschillende tegencontacten de bandbreedte van de beoogde verkoopprijzen. De daarbij genoemde prijzen zijn, gelet op de handelsprijzen die de rechtbank ambtshalve bekend zijn, in verband te brengen met verdovende middelen.
Op basis van de inhoud van de chatberichten en in aanmerking genomen dat de verdachte - op de terechtzitting over dit feit bevraagd - geen enkele verklaring heeft willen geven, komt de rechtbank tot het oordeel dat het daadwerkelijk om rosin moet zijn gegaan. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van het in dit verband ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 200 gram rosin.