ECLI:NL:RBDHA:2026:1656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
09/098252-25 en 09/243664-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitlokking van zware mishandeling, mensenhandel en invoer van rosin

Op 2 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van meerdere ernstige misdrijven. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor (i) uitlokking van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, (ii) mensenhandel door criminele uitbuiting van een minderjarige, en (iii) invoer van 200 gram rosin. De verdachte had jonge mannen opdracht gegeven om een onbekend gebleven persoon in zijn been te schieten, en daarbij gebruik gemaakt van een minderjarige als uitvoerder. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van zes jaren, waarbij de ernst van de feiten en de rol van de verdachte in het criminele milieu zwaar wogen. De rechtbank verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen wegens het ontbreken van rechtstreekse schade. De uitspraak is gedaan na een inhoudelijke behandeling van de zaak, waarbij de rechtbank de verklaringen van getuigen en de bewijsstukken zorgvuldig heeft gewogen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/098252-25 en 09/243664-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] .
geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 september 2025, 2 december 2025 (beide pro forma) en 19 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Roosma en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.W. Roos naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in dagvaarding I (parketnummer: 09/098252-25) en dagvaarding II (parketnummer: 09/243664-25). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten (dagvaarding I en II) wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna in de bijlage (bijlage 2) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat de bewezenverklaarde feiten door de verdachte zijn begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd (bijlage II).
De rechtbank overweegt in het bijzonder, gelet op hetgeen door de raadsman van de verdachte daartoe naar voren is gebracht, het navolgende.
Dagvaarding I
Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) niet betrouwbaar zijn en om die reden niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Betrouwbaarheid verklaring [naam 1]
heeft op 12 en 20 februari 2025 en op 10 juni 2025 bij de politie verklaringen afgelegd. De afgelegde verklaringen komen sterk met elkaar overeen. In hoofdlijnen verklaart hij over de feitelijke toedracht het volgende. [naam 1] liep samen met [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in het centrum. Zij werden door een persoon, bij hem bekend onder de bijnaam ‘ [bijnaam] ’, aangesproken voor een klus om tegen betaling een onbekend gebleven persoon in Rotterdam in zijn been te schieten. [naam 2] heeft deze opdracht aangenomen, terwijl [naam 1] bij de voorbereiding en poging tot uitvoering van die klus als ’doorgeefluik’ tussen [naam 2] en [bijnaam] opereerde. Zo heeft hij op 3 februari 2025 om 23:29 uur in opdracht van [bijnaam] aan [naam 2] gechat of hij “die waggie” zag. Dat ging volgens [naam 1] over de chauffeur die [naam 2] toen heeft opgehaald. Zo wist hij dat [naam 2] opgehaald ging worden om de klus te klaren. [bijnaam] had het voertuig geregeld. [naam 1] heeft verder ook verklaard over de persoon van [bijnaam] , onder meer dat hij zich vaak in het buitenland begaf, waaronder Slowakije dan wel Tsjechië ‘ofzo’. De verklaringen van [naam 1] zijn op deze punten consequent en gedetailleerd.
De verklaringen van [naam 1] vinden bovendien steun in overige bewijsmiddelen. Uit Snapchatberichten op de telefoon van [naam 2] blijkt dat hij in de nacht van 3 op 4 februari 2025 met iemand naar Rotterdam is gereden om aldaar iemand tegen betaling van € 2.000,- te poppen (de rechtbank begrijpt: neerschieten). Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat dit samen met [medeverdachte] was (hierna: [medeverdachte] ). De verklaringen van [naam 1] komen ook overeen met wat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard, namelijk dat hij samen met een ander een ‘
job’had aangenomen om iemand neer te schieten, waarbij [medeverdachte] opereerde als ‘
driver’(de rechtbank begrijpt: autobestuurder). De schutter zou tegen betaling van € 2.000.- een persoon in zijn been schieten. Daarnaast blijkt ook uit een schermafbeelding van een Snapchatbericht, aangetroffen in de telefoon van de verdachte, dat de eigenaar van het Snapchataccount ‘ [account] ’ op 1 februari 2025 aan een ander vraagt of diegene iemand heeft voor ‘
legday’(de rechtbank begrijpt: om iemand in diens benen te schieten).
[naam 1] ’s verklaringen over de omstandigheid dat [bijnaam] zich wel in Slowakije begaf, vinden ten slotte steun in onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat de verdachte vanaf
9 februari 2025 in Bratislava (Slowakije) is geweest.
Gelet op het voorgaande, en dit in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [naam 1] op voornoemde punten betrouwbaar zijn. De rechtbank zal de verklaringen van [naam 1] dan ook gebruiken voor het bewijs.
Feit 1 en 2: verdachte was opdrachtgever tot aanslag
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 2] en [medeverdachte] in de late avond/nacht van 3 op 4 februari 2025 vanuit Den Haag naar Rotterdam zijn gereden om een onbekend gebleven persoon in zijn been te schieten. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte degene is die door [naam 1] in zijn verklaringen ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd en die gebruik maakte van het Snapchataccount [account] . Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte [naam 2] en [naam 1] heeft benaderd om de aanslag tegen betaling uit te voeren en dat de verdachte tijdens de beoogde uitvoering in de nacht van 3 op 4 februari 2025 in contact stond met [medeverdachte] en [naam 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte, nadat bleek dat de aanslag in die nacht niet had kunnen doorgaan, op 5 februari 2025 heeft deelgenomen aan een groepsgesprek op Snapchat waarin wordt besproken dat [naam 2] problemen heeft veroorzaakt en waarin de verdachte (volgens de verklaring van [naam 1] ) zijn boosheid uitte over het feit dat [naam 2] het pistool nog bij zich had. Het staat voor de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die de opdracht heeft gegeven en [naam 2] en [naam 1] daarvoor geld in het vooruitzicht heeft gesteld. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt dat de verdachte in ieder geval het voertuig had geregeld. In het licht van het voorgaande en bij gebreke van enige aanwijzing in een andere richting, neemt de rechtbank ook als vaststaand aan dat de verdachte degene is geweest die er in het kader van de door hem gegeven opdracht voor heeft gezorgd dat een notitie met informatie over de beoogde aanslag en het pistool ergens in Rotterdam klaarlagen voor [naam 2] en [naam 1] .
Feit 2: kwalificatie mensenhandel
De raadsman heeft in de kern naar voren gebracht dat geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie ten aanzien van [naam 2] , de beoogde schutter. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen voor het vereiste oogmerk van (criminele) uitbuiting, zodat dit feit niet bewezen kan worden.
Juridisch kader Art. 273f, eerste lid, sub b, van het Wetboek van Strafrecht
Het in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten (met inbegrip van uitbuiting van strafbare activiteiten). De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is. De strafbare aard van de verrichte activiteiten en de minderjarige leeftijd van de betrokkene spelen in dit kader een belangrijke rol.
(vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672).
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de 16-jarige [naam 2] heeft geworven met het doel om hem een onbekend gebleven persoon in diens been te laten schieten. Daartoe heeft hij onder meer instructies en een vuurwapen gegeven, alsmede een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. De verdachte was veel ouder (ruim meerderjarig) dan de nog jonge [naam 2] en, zo begrijpt de rechtbank uit diverse verklaringen, iemand met ervaring en aanzien in het criminele milieu. Hij probeerde controle te houden op [naam 2] door hem te bedreigen (hij moest de klus doen, anders zou hij “plat gaan”) en door foto’s van vuurwapens te sturen. Ook is er een groepsgesprek van 5 februari 2025, waarin de verdachte (toen nog niet bekend met de dood van [naam 2] ) op een zeer dwingende manier contact met hem zocht.
Daarnaast vloeit uit de leeftijd van [naam 2] voort dat zijn intelligentie en oordeelsvermogen nog niet volgroeid zijn. Om die reden dient hij dan ook minder goed in staat te worden geacht om de potentiële gevolgen van zijn handelen te voorzien. Niet in de laatste plaats is het feit dat de verdachte de jonge [naam 2] wierf voor het plegen van een ernstig strafbaar feit (en zelf buiten beeld probeerde te blijven), een element dat misbruik met zich meebrengt.
Anders dan de raadsman van de verdachte betoogt, heeft de verdachte hier ook economisch voordeel uit behaald. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat minderjarigen in het criminele circuit bereid zijn om dit soort klussen voor minder geld te doen dan volwassenen in het criminele circuit, en mede om die reden hiervoor worden geworven.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en tegen de achtergrond van het juridisch kader, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten aanzien van [naam 2] heeft gehandeld met het oogmerk had van uitbuiting als bedoeld in art. 273f, eerste lid, sub 2, Sr.
Dagvaarding II
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat onvoldoende vastgesteld kan worden dat de inhoud van het pakket dat door de verdachte is ontvangen, daadwerkelijk een stof bevatte die is vermeld op een van de lijsten bij de Opiumwet.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, via een buitenlands tegencontact, op respectievelijk 12 en 14 mei 2025 een FedEx-pakket heeft ontvangen. Beide FedEx-leveringen zijn afkomstig uit de Verenigde Staten. De verdachte deelt de ontvangst daarvan in diverse chatgesprekken. Daarbij bevestigt hij wat de inhoud daarvan is, te weten: rosin. De verdachte bevestigt dat hij 200 gram rosin heeft ontvangen en bespreekt met verschillende tegencontacten de bandbreedte van de beoogde verkoopprijzen. De daarbij genoemde prijzen zijn, gelet op de handelsprijzen die de rechtbank ambtshalve bekend zijn, in verband te brengen met verdovende middelen.
Op basis van de inhoud van de chatberichten en in aanmerking genomen dat de verdachte - op de terechtzitting over dit feit bevraagd - geen enkele verklaring heeft willen geven, komt de rechtbank tot het oordeel dat het daadwerkelijk om rosin moet zijn gegaan. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van het in dit verband ten laste gelegde medeplegen van de invoer van 200 gram rosin.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I:
1.
hij op
één ofmeer tijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Den Haag en
/ofRotterdam
, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,heeft gepoogd om [naam 2] en
/of[medeverdachte] en
/of[naam 1] , door
(een
)gift en
/ofbeloften en
/ofbedreiging en
/ofdoor het verschaffen van gelegenheid
,middelen en
/ofinlichtingen te bewegen om een onbekend gebleven persoon opzettelijk en met voorbedachte rade
vanzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door aan die [naam 2] en/of [medeverdachte] en/of [naam 1]
(onder meer)- een (groot) geldbedrag
te betalen en/ofin het vooruitzicht te stellen en
/of- één
of meervuurwapen
(s)en
/oféén
of meervoertuig
(en), althans éénof meer goederen,in het vooruitzicht te stellen en/of ter beschikking te stellen en
/of- een notitie met daarop informatie betreffende en
/often behoeve van het uit te voeren strafbare feit in het vooruitzicht te stellen en
/ofter beschikking te stellen;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Den Haag en
/ofRotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,een ander, genaamd [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2008), terwijl die [naam 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
- heeft
/hebbengeworven
, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,met het oogmerk van (criminele) uitbuiting van die [naam 2] , terwijl die [naam 2] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt (sub 2), immers heeft
/hebbenhij, verdachte
en/of zijn mededader(s), (meermalen)- die [naam 2]
via Snapchat en/ofop straat benaderd met de opdracht om iemand in zijn been te schieten en
/ofhem een vuurwapen aangeboden om deze opdracht uit te voeren en
/ofde ontvangst van geld (2.000 euro) in het vooruitzicht gesteld bij het uitvoeren van de opdracht en
/of- die [naam 2] instructies (waar hij naartoe
moestgaan) gegeven en
/of laten geven en/of- het vervoer van die [naam 2] van en naar de locatie van het schieten (Rotterdam) geregeld en
/of laten regelen;
- die [naam 2] een wapen (Glock) gegeven
en/of laten geven;
dagvaarding II:
hij op
één ofmeer tijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 12 mei 2025 tot en met 14 mei 2025 te
Koog aan de Zaanen/of
inNoord-Holland, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,(telkens) opzettelijk één
of meermiddel
(en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
en/of lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,te weten (twee honderd gram) rosin
en/of resin, zijnde hennep en/of hasjiesj en/of hennepolie, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd door hem in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht het overlijden van [naam 2] niet als strafverzwarende omstandigheid te laten meewegen in de straftoemeting. Daarnaast heeft de raadsman verzicht aansluiting te zoeken bij de straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop, met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten onder 1 primair en 2 (dagvaarding I), voor zover het gaat om [naam 2] .
De rechtbank neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot uitlokking van een zware mishandeling met voorbedachte raad. Daarbij heeft hij opdracht gegeven aan anderen, waaronder de minderjarige [naam 2] , om een onbekend gebleven persoon in zijn been te schieten. Dat is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft daarbij een instruerende en aansturende rol gehad, een en ander zoals hiervóór is beschreven. Het is puur geluk dat de door de verdachte gegeven opdracht niet tot voltooiing is gebracht. Zo is de eerste poging in de nacht van 3 op 4 februari 2025 door surveillance van de politie gestaakt. Deze onderbreking weerhield de verdachten echter niet. Integendeel, uit Snapchatberichten blijkt dat de medeverdachten de dag(en) daarna alweer op aanwijzing van de verdachte op stap gingen om de opdracht uit te voeren.
Door te handelen als vermeld heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan criminele uitbuiting van de minderjarige [naam 2] . Daarbij heeft hij die jongen, puur ten gunste van zijn eigen belang, ingezet voor het verrichten van ernstige criminele activiteiten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij [naam 2] , die pas zestien jaar oud was, onder grote druk heeft gezet en hem in een dergelijke situatie heeft gebracht.
Tot slot heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het invoeren van 200 gram rosin, een hennepconcentraat. De ingevoerde ladingen waren bestemd voor de handel. Ook hiertegen moet streng opgetreden worden, nu door drugs allerlei maatschappelijk ongewenste effecten worden veroorzaakt, waaronder de ondermijning van de openbare orde en de volksgezondheid.
De aard van de feiten brengt op zichzelf al mee dat de niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij in 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict. Daarbij is hem onder meer een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De rechtbank weegt deze veroordeling in strafverzwarende zin mee.
Uit het procesdossier ontstaat met betrekking tot (het gedrag van) de verdachte een zorgwekkend beeld. De door hem gepleegde strafbare feiten duiden op een georganiseerde vorm van zware criminaliteit. Ook de proceshouding van de verdachte geeft bepaald geen aanleiding tot optimisme. Sterker, daaruit blijkt dat hij geen openheid van zaken wil geven. Hij neemt dus geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Ook dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
Strafverhogend is ook dat de verdachte jonge mannen, onder wie zelfs de minderjarige [naam 2] , heeft ingezet voor het uitvoeren van zijn zeer gewelddadige opdracht. Dit soort zware criminaliteit zorgt in toenemende mate voor veel onrust in de samenleving. Hiertegen moet dan ook streng worden opgetreden. De rechtbank onderstreept dit hierna in de strafmaat.
[naam 2] is om het leven gekomen, nadat hij zwaar gewond was aangetroffen op een toilet in het [school] . De precieze feiten zijn niet bekend, maar het lijkt er op dat hij zichzelf per ongeluk met het bij hem aangetroffen wapen heeft geschoten. Het verdriet van de nabestaanden van [naam 2] is zeer invoelbaar. Ook op de school waar dit gebeurde, moet de dood van [naam 2] een enorme impact hebben gehad.
Er is echter geen aanwijzing dat de verdachte zelf direct invloed heeft gehad op wat er op dat moment is gebeurd. Het overlijden van [naam 2] is daarom voor de rechtbank geen factor geweest bij het bepalen van de strafmaat.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren passend en geboden is.
De rechtbank legt een straf op die hoger is dan door de officier van justitie geëist, onder meer om de ernst en onaanvaardbaarheid tot uitdrukking te brengen van (regelmatig voorkomende) situaties waarin minderjarigen worden geronseld voor het plegen van ernstige misdaden, door opdrachtgevers die zelf vaak buiten beeld blijven.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partijen

[naam 3] en [naam 4] (vader en moeder van [naam 2] ) hebben zich beiden afzonderlijk als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen ieder voor zich een vergoeding voor immateriële schade van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de vordering van [naam 3] als [naam 4] , hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daartoe is primair aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair, in het geval van een veroordeling van de verdachte, is aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade, in die zin dat er geen verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de geleden schade.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de vordering van de benadeelde partij volgt dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade (Vgl. ECLI:NL:HR:2019:793). Hierbij zijn de regels van het materiële burgerlijk recht van toepassing, zodat alleen voor vergoeding in aanmerking komt de schade die het gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent dat sprake moet zijn van een conditio sine qua non-verband tussen de gedragingen van de verdachte en de ingetreden schade en dat de schade redelijkerwijs aan hem moet kunnen worden toegerekend (Vgl. ECLI:NL:HR:2014:2895).
Toepassing van het juridisch kader
Op grond van het procesdossier en bij gebreke van aanwijzingen voor een andere gang van zaken, gaat de rechtbank er van uit dat [naam 2] zichzelf per ongeluk heeft geschoten met het pistool dat door de verdachte is verstrekt en dat op dat moment nog in zijn bezit was. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een conditio sine qua non-verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (het verstrekken van het pistool) en het overlijden van [naam 2] . Immers, als de verdachte geen pistool aan [naam 2] had gegeven, zou zijn overlijden niet zijn ingetreden.
De volgende vraag die door de rechtbank beantwoord moet worden is of de schade van de nabestaanden als gevolg van het overlijden van [naam 2] aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat het verband tussen het verstrekken van het wapen en [naam 2] overlijden daarvoor te ver verwijderd is. De kans dat [naam 2] zichzelf met het vuurwapen dodelijk zou raken, moet naar het oordeel van de rechtbank immers als bijzonder klein worden ingeschat. Daar komt bij dat op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte invloed heeft gehad op dit specifieke handelen van het slachtoffer. Het overlijden van [naam 2] was dan ook niet voor de verdachte redelijkerwijs voorzienbaar.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande en dit tegen de achtergrond van het juridisch kader, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen [naam 3] en [naam 4] niet-ontvankelijk zijn, nu geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 361, tweede lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De rechtbank zal geen beslissing nemen over de door de officier van justitie overgelegde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, nu de verdachte op de terechtzitting ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de daarop genoemde voorwerpen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 45, 46a, 47, 55, 57, 273f en 303 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I:
ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:
poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachte raad;
en
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
deels (namelijk ten aanzien van [naam 2] ) in eendaadse samenloop begaan;
dagvaarding II:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
zes (6) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [naam 3] ;
bepaalt dat [naam 3] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 4] ;
bepaalt dat [naam 4] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de inbeslaggenomen goederen;
verstaat dat van de voorwerpen op de beslaglijst (met de nummers: 857894, 857895, 857897, 857925, 85790 en 857905) afstand is gedaan door de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 februari 2026.
Bijlage I: Tekst tenlastelegging van dagvaarding I en II
Dagvaarding I(parketnummer: 09/098252-25)
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot
en met 5 februari 2025 te Den Haag en/of Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
heeft gepoogd om [naam 2] en/of [medeverdachte] en/of [naam 1] , door (een)
gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of
bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of
middelen en/of inlichtingen te bewegen om een onbekend gebleven persoon
opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven en/of opzettelijk en
met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
door aan die [naam 2] en/of [medeverdachte] en/of [naam 1] (onder meer)
- een (groot) geldbedrag te betalen en/of in het vooruitzicht te stellen en/of
- één ofmeer vuurwapen(s) en/of één of meer voertuig(en), althans één of meer
goederen, in het vooruitzicht te stellen en/of ter beschikking te stellen en/of
- een notitie met daarop informatie betreffende en/of ten behoeve van het uit te
voeren strafbare feit in het vooruitzicht te stellen en/of ter beschikking te stellen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot
en met 5 februari 2025 te Den Haag en/of Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of zware
mishandeling met voorbedachte rade op een onbekend gebleven persoon (hetgeen
een misdrijf genoemd in artikel 289 en/of 303 Wetboek van Strafrecht oplevert),
opzettelijk één of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of
vervoermiddelen,
te weten:
- een (groot) geldbedrag,
- een vuurwapen,
- één of meer voertuig(en),
- één of meer telefoon(s) en/of
- een notitie met daarop informatie betreffende en/of ten behoeve van het uit te
voeren strafbare feit, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Den
Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met
één of meer ander(en), althans alleen,
een ander, genaamd [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2008), terwijl die
[naam 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met
het oogmerk van (criminele) uitbuiting van die [naam 2] , terwijl die [naam 2] de
leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt (sub 2), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (meermalen)
- die [naam 2] via Snapchat en/of op straat benaderd met de opdracht om iemand
in zijn been te schieten en/of hem een vuurwapen aangeboden om deze opdracht
uit te voeren en/of de ontvangst van geld (2.000 euro) in het vooruitzicht gesteld
bij het uitvoeren van de opdracht en/of
- die [naam 2] instructies (waar hij naartoe moet gaan) gegeven en/of laten geven
en/of
- het vervoer van die [naam 2] van en naar de locatie van het schieten (Rotterdam)
geregeld en/of laten regelen;
- die [naam 2] een wapen (Glock) gegeven en/of laten geven.
Dagvaarding II(parketnummer: 09/243664-25)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 mei 2025 tot en met 14 mei 2025 te Koog aan de Zaan en/of Noord-Holland, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten (twee honderd gram) rosin en/of resin, zijnde hennep en/of hasjiesj en/of hennepolie, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.