ECLI:NL:RBDHA:2026:16566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19452
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseressen, moeder en dochter met de Syrische nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van hun aanvragen. Nederland had Spanje op 20 januari 2026 verzocht de asielaanvragen over te nemen, wat Spanje op 9 februari 2026 heeft aanvaard.

Eiseressen stelden dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door standaardtekstblokken te gebruiken en onvoldoende in te gaan op hun zienswijze, waaronder hun medische problematiek en afhankelijkheid van familie in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk op de zienswijze was ingegaan en dat het besluit zorgvuldig was voorbereid.

Verder betoogden eiseressen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje niet langer geldt vanwege problemen in de Spaanse opvang, zoals beschreven in AIDA-rapporten. De rechtbank volgde dit niet en stelde dat het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt niet was weerlegd.

Ten slotte voerden eiseressen aan dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening hun aanvragen onverplicht aan zich had moeten trekken vanwege hun medische en familiale omstandigheden. De rechtbank vond dat de minister dit discretionaire bevoegdheid correct had uitgeoefend, omdat de medische stukken onvoldoende actueel en onderbouwd waren en de afhankelijkheid van familie niet voldoende was om overdracht te weigeren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van de minister in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseressen tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19452

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1,

[eiseres 2], v-nummer: [nummer 2], eiseres 2,
eiseressen
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseressen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseressen hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseressen ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. Eiseressen zijn moeder en dochter en zij hebben de Syrische nationaliteit. Uit het EU-VIS resultaat is gebleken dat Spanje aan eiseressen een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 1 augustus 2025 tot 20 januari 2026. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 20 januari 2026 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 9 februari 2026 aanvaard.
Heeft de minister het bestreden besluit onzorgvuldig genomen?
5. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte standaard tekstblokken heeft gebruikt in het voornemen. Verder is de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de zienswijze. Volgens eiseressen heeft de minister daarom ook op geen enkele wijze gemotiveerd op welke wijze de bezwaren van eiseressen tegen mogelijke overdracht zijn meegenomen en beoordeeld, zoals bijvoorbeeld wat in de aanmeldgehoren naar voren is gebracht door eiseressen. De minister heeft ten onrechte geen standpunt ingenomen over de persoonlijke verklaringen van eiseressen met betrekking tot hun medische problematiek en hun afhankelijkheid van de twee zonen van eiseres 1 en broers van eiseres 2. Zij verwijzen hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 april 2025 [2] en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 juli 2025 [3] .
5.1.
Het betoog van eiseressen slaagt niet. Voor zover eiseressen betogen dat de minister een standaard voornemen heeft genomen overweegt de rechtbank het volgende. Weliswaar is het voornemen in meer algemene bewoordingen gesteld, maar hierin is wel opgenomen wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eiseressen en de voorgenomen overdracht aan Spanje. Vervolgens zijn eiseressen in de gelegenheid gesteld om in hun zienswijze hierop te reageren. In het bestreden besluit gaat de minister in op hetgeen eiseressen hebben aangevoerd in hun zienswijze en waarom het voornemen volstaat. Ook gaat de minister in op wat eiseressen hebben verklaard in hun gehoren. Zo gaat de minister in het bestreden besluit in op de verklaring van eiseressen dat zij afhankelijk zouden zijn van de broers/zonen die in Nederland verblijven. Ook heeft de minister meegenomen dat eiseressen hebben verklaard medische problemen te hebben en zij behandeld zouden moeten worden. Verder is de minister ingegaan op de vraag waarom de minister niet onverplicht de behandeling van de asielaanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening op zich neemt. Dat besluit ligt nu ter toetsing voor. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het besluit wegens een tekortschietende voorbereiding te vernietigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan ten aanzien van Spanje worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiseressen betogen dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijzen naar het AIDA-rapport van 30 april 2025 [4] , waarin staat dat Dublinterugkeerders in de praktijk worden geconfronteerd met dezelfde belemmeringen bij de toegang tot de procedure en opvangvoorzieningen als elke andere asielzoeker. In hun aanvullende gronden verwijzen eiseressen naar het AIDA-rapport van april 2026 [5] , waaruit geen verandering of verbetering ten aanzien van het AIDA-rapport van april 2025 blijkt.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister ten aanzien van Spanje in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt en dat een vreemdeling bij overdracht niet in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest zal worden behandeld. Dit vermoeden is weerlegbaar.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat overdracht niet leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Hoewel uit de door eiseressen aangehaalde AIDA-rapporten blijkt van problemen in de Spaanse opvangvoorzieningen, wijst de minister er terecht op dat deze problematiek volgens vaste rechtspraak niet leidt tot de conclusie dat voor Spanje niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseressen hebben verder niet onderbouwd noch aannemelijk gemaakt dat zij na overdracht aan Spanje terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hen niet in staat stelt te voorzien in hun meest elementaire levensbehoeften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de Spaanse autoriteiten eiseressen zullen belemmeren in de (toegang tot) opvangvoorzieningen. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiseressen niet eerder als Dublinclaimant aan Spanje zijn overgedragen en dat Spanje het claimverzoek heeft aanvaard, waarmee is gegarandeerd dat de asielaanvragen van eiseressen in behandeling worden genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiseressen betogen dat de minister hun asielaanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. De minister heeft hierbij ten onrechte niet meegewogen dat eiseressen, zowel medisch, financieel als emotioneel, afhankelijk zijn van de twee in Nederland verblijvende zonen/broers. Eiseressen verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 3 februari 2026 [7] , waarin geen sprake was van een afhankelijkheidsrelatie met kinderen, geen samenwoning en dagelijkse zorg zodat in deze zaak a contrario moet worden geredeneerd. Eiseressen verblijven namelijk wel dagelijks bij hun zonen/broers in Nederland.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseressen hebben verklaard dat zij medische problemen hebben. Eiseres 1 heeft verklaard dat zij diabetes en een hoge bloeddruk heeft. Ook heeft ze kleine tumors in haar schildklier. Ze heeft ook continu pijn in haar wervels. Verder heeft zij diarree wegens bestralingen die zij heeft ondergaan voor haar baarmoederkanker. Eiseres 2 heeft verklaard dat zij reuma heeft. Zij hebben hiervan documenten van een arts in Egypte, echter zijn deze stukken van 2020 en 2021. In hun aanvullende gronden hebben eiseressen stukken overgelegd van een reumatoloog van 19 mei 2026 waaruit blijkt dat eiseres 2 een chronisch syndroom/fibromyalgie zou hebben.
7.2.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiseressen om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid. De door eiseressen genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat een overdracht aan Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Eiseressen hebben hun beroep op bijzondere omstandigheden gebaseerd op hun gestelde medische klachten en hun afhankelijkheid van de zonen/broers. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde klachten onvoldoende zijn onderbouwd, nu eiseressen geen recente medische stukken hebben overgelegd. De medische stukken die eiseressen hebben overgelegd komen uit 2020 en 2021. Uit deze documenten blijkt niet dat eiseressen op dit moment zorg door een specialist krijgen of nodig hebben. Uit de recente stukken van mei 2026 blijkt ook niet dat eiseressen een ernstige mentale of lichamelijke aandoening hebben waardoor de minister de aanvraag aan zich had moeten trekken. Daar komt bij dat de reumatoloog in Nederland heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een reumatische aandoening bij eiseres 2 en dat de reumatoloog de diagnose uit Egypte niet kan bevestigen. Daarnaast heeft de minister mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat de medische voorzieningen in Spanje in beginsel van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en toegankelijk zijn voor Dublinclaimanten. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in hun geval anders is of dat Nederland het meest aangewezen land is voor hun behandeling. Tot slot heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseressen hun stelling dat zij afhankelijk zouden zijn van zonen/broers niet hebben onderbouwd. De minister heeft daarbij verder kunnen betrekken dat de aanwezigheid van familie in het licht van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onvoldoende is om van een overdracht aan Spanje af te zien. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 3 februari 2026 leidt dan ook niet tot een andere conclusie. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte afgezien van toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.AIDA-rapport inzake Spanje (update 2024) van april 2025, p. 67.
5.AIDA-rapport inzake Spanje (update 2025) van april 2026, p. 63 en 77.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661 en van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431.