ECLI:NL:RBDHA:2026:16567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Slovenië op grond van Dublinverordening

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 22 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-onderzoek bleek dat hij op 13 november 2025 in Slovenië een verzoek tot internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Slovenië om terugname, wat werd aanvaard. Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Slovenië verantwoordelijk is.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Slovenië, waaronder gebrek aan opvang, geen toegang tot advocaat en mishandeling. Hij verwees naar AIDA-rapporten en eerdere jurisprudentie. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast, omdat de tekortkomingen niet structureel en zwaarwegend zijn en het AIDA-rapport geen aanleiding geeft tot nader onderzoek.

Verder stelde eiser dat het besluit onzorgvuldig tot stand kwam omdat hij niet goed gehoord was. De rechtbank stelde vast dat eiser was uitgenodigd voor twee gehoren, maar niet verscheen en geen verschoonbare redenen gaf. Verweerder had voldoende gelegenheid geboden om bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16547

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.16548), op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 22 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 13 november 2025 in Slovenië een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 17 februari 2026 heeft Nederland aan Slovenië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Slovenië heeft dit terugnameverzoek op 20 februari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten aanzien van Slovenië niet had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft geen adequate opvang gekregen in Slovenië waarbij hij zelfs tijdens de eerste weken zonder opvang zat. Verder heeft hij nooit een advocaat of een daaraan gelijk te stellen belangenbehartiger gezien en was er sprake van mishandeling door of namens de overheid. Eiser stelt dat Asylum Information Database (AIDA) rapporten structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en de asielprocedure in Slovenië bevestigen. Hij wijst in het bijzonder op pagina 53 en 80 uit het AIDA rapport 2024, update July 2025. Eiser vindt dat verweerder nader onderzoek moet doen en verwijst in dat verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18966), waarin de rechtbank verweerder heeft opgedragen om antwoord te geven op de vragen of het recht op opvang voldoet aan de Europese normen voor opvang en of gebruik kan worden gemaakt van effectieve rechtsmiddelen.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft met haar uitspraken van 8 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2644) en 21 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1106) geoordeeld dat ten aanzien van Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
3.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Slovenië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Slovenië geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Slovenië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Slovenië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
3.3.
Naar oordeel van de rechtbank doet het door eiser aangedragen AIDA-rapport niet af aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Slovenië en hoeft verweerder geen nader onderzoek te doen met betrekking tot de opvang en toegang tot effectieve rechtsmiddelen in Slovenië. Uit het AIDA-rapport (Update 2024) blijkt niet van een zodanig systeemgebrek dat hierdoor niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de door eiser verwezen uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025, oordeelt de rechtbank dat het onduidelijk is hoe het met de opvang van Dublinclaimanten zit bij aankomst in Slovenië. Uit pagina 53 van het AIDA-rapport volgt dat Dublinclaimanten zullen worden aangemerkt als asielzoekers en dat zij, net als andere asielzoekers, 3 tot 20 dagen moeten wachten om een asielaanvraag in te dienen. Zodra de asielaanvraag is ingediend, zullen ze worden ondergebracht bij een opvanglocatie. Echter, uit pagina 81 en 98 volgt dat in de praktijk opvang wordt geboden aan iemand vanaf het moment dat diegene de intentie kenbaar maakt asiel aan te willen vragen tot het moment dat de daadwerkelijke formele asielaanvraag is ingediend. Uit deze passages volgt dat in de praktijk opvang wordt geboden aan Dublinclaimanten - die, zoals blijkt uit pagina 53, gelijkgesteld worden met asielzoekers - en dat zij vanaf het moment van het uitdrukken van de intentie om een asielaanvraag in te dienen tot aan het daadwerkelijk indienen van de formele asielaanvraag, opvang zullen genieten in een Asylum Home of Logatec. Tot het moment dat de formele asielaanvraag is ingediend mogen zij niet van het terrein af. Uit deze informatie blijkt niet, anders dan eiser beweert, dat Dublinclaimanten tot het moment dat zij hun asielaanvraag formeel hebben ingediend zonder opvang komen te zitten (zie ook de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 april 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:4905). Gelet op het voorgaande treft een verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam geen doel.
3.4.
Eisers stellingen over zijn persoonlijke ervaringen tijdens zijn eerdere verblijf in Slovenië – over het gebrek aan (adequate) opvang, het geen bijstand hebben gekregen van een advocaat en de mishandeling door de autoriteiten – leiden niet tot het oordeel dat sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verder geldt dat eiser niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Slovenië, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Slovenië. Mocht eiser desondanks in de toekomst problemen ondervinden, dan dient hij zich te wenden tot de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
3.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Het besluit is onzorgvuldig voorbereid
4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het voornemen en het besluit bevatten geen dragende overwegingen met betrekking tot de bezwaren van eiser tegen overdracht aan Slovenië. Eiser is namelijk niet op deugdelijke wijze in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen overdracht aan Slovenië kenbaar te maken omdat hij niet is gehoord en (te) laat is gekoppeld aan een gemachtigde.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser door verweerder is uitgenodigd voor twee gehoren, namelijk op 14 en 20 februari 2026. Er zitten twee bewijzen van ontvangst van uitnodigingen voor de geplande gehoren in het dossier waarbij beide bewijzen een handtekening bevatten. Door het niet verschijnen van eiser bij het gehoor heeft verweerder in het voornemen van 6 maart 2026 opgenomen dat zij ervan uitgaat dat eiser geen bezwaren heeft tegen een overdracht aan Slovenië. Ter zitting heeft verweerder nog naar voren gebracht dat nadat eiser is gekoppeld aan de gemachtigde, het voornemen is uitgebracht. Op basis van dit voornemen hebben eiser en zijn gemachtigde twee weken de tijd gekregen om contact te leggen en een zienswijze in te dienen. Op de laatste dag van deze termijn heeft de gemachtigde van eiser om uitstel gevraagd omdat hij eiser nog niet had gesproken. Dit verzoek om uitstel is door verweerder afgewezen omdat de genoemde reden niet valt onder de aan uitstel verbonden voorwaarden die volgen uit paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder heeft vervolgens een beslissing genomen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft voldoende inspanning geleverd om eiser de gelegenheid te bieden zijn bezwaren kenbaar te maken tegen een overdracht naar Slovenië en heeft op basis van de beschikbare informatie voldoende dragende overwegingen opgenomen in het voornemen en het besluit. Verweerder stelt in het besluit dat eiser geen reden kenbaar heeft gemaakt waarom hij op 14 en 20 februari 2026 niet op de afspraak voor het gehoor is verschenen. Op grond van paragraaf C1/2.6 van de Vc heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eiser geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar Slovenië nu eiser geen verschoonbare redenen bij verweerder kenbaar heeft gemaakt waarom hij niet is verschenen tijdens de gehoren en hij heeft niet alsnog zijn bezwaren kenbaar gemaakt door middel van het indienen van een zienswijze.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.