ECLI:NL:RBDHA:2026:16577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL23.30785
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:20 AwbArt. 29 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvragen ouders wegens ontbreken beschermenswaardig familieleven

Eisers, de ouders van een in Nederland verblijvende jongvolwassene (referent), vroegen machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij hem te mogen verblijven. Verweerder wees deze aanvragen af omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid zoals samenwoning en emotionele afhankelijkheid.

Eisers stelden dat verweerder een onjuist toetsingskader hanteerde en dat de veiligheidssituatie in Jordanië meegewogen moest worden. De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante elementen, waaronder emotionele banden, financiële afhankelijkheid, gezondheid en banden met het land van herkomst, deugdelijk heeft betrokken. De langdurige niet-samenwoning en het ontbreken van emotionele afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgt, rechtvaardigen het standpunt dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat.

Daarnaast werd het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels een besluit had genomen. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eisers kregen een schadevergoeding van € 2.500,- toegekend, waarvan verweerder en de Staat ieder een deel moeten betalen naar rato van hun aandeel in de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de mvv-aanvragen worden afgewezen wegens ontbreken van beschermenswaardig familieleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30785

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser

[eiseres], V-nummer: [nummer 2] , eiseres,
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei),
alsmede
de Staat der Nederlanden(namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).

Procesverloop

Op 15 april 2021 heeft [persoon A] (referent) ten behoeve van eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’.
Bij besluit van 15 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Op 1 maart 2022 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Op 24 oktober 2022 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.
Op 27 september 2023 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
Bij besluit van 26 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Op 8 mei 2024 hebben eisers beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
Op 9 december 2025 hebben eisers nadere (bewijs)stukken ingediend.
Op 18 december 2025 hebben eisers een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om schadevergoeding, op 19 december 2025 op zitting behandeld. Referent is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Rida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Inleiding

1. Eisers hebben op 27 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op hun bezwaar tegen het primaire besluit. Verweerder heeft op 26 april 2024 alsnog een besluit op het bezwaar genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu verweerder daarmee niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eisers. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit namelijk ongegrond verklaard.

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar

2.1.
Omdat verweerder inmiddels alsnog op het bezwaar van eisers heeft beslist, hebben eisers geen belang meer bij een beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
2.2.
De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers in dit verband hebben moeten maken. De ingebrekestelling is ingediend na het verstrijken van de beslistermijn, wat betekent dat er een geldige ingebrekestelling is ingediend. Verweerder heeft vervolgens niet binnen twee weken een besluit genomen, waarna eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen hebben ingesteld. Pas (maanden) daarna heeft verweerder een besluit genomen. Dit betekent dat het beroep niet zonder reden was ingesteld, hetgeen een vergoeding van de proceskosten rechtvaardigt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden.

Beroep tegen het bestreden besluit

De aanvraag
3. Referent is geboren op [geboortedatum 1] 1990, is van Palestijnse afkomst, staat geregistreerd met onbekende nationaliteit en is herkomstig uit Jordanië . In maart 2020 is hij Nederland ingereisd en bij besluit van 19 januari 2021 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 15 april 2021 heeft hij de mvv-aanvragen voor eisers ingediend. Eisers zijn de ouders van referent. Eiser (de vader) is geboren op [geboortedatum 2] 1962, is van Palestijnse afkomst, staat geregistreerd met onbekende nationaliteit en is herkomstig uit Jordanië . Eiseres (de moeder) is geboren op [geboortedatum 3] 1966 en heeft de Jordaanse nationaliteit. Eisers verblijven in Jordanië .
Het bestreden besluit
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvragen afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit houdt – samengevat weergegeven – het volgende in. Eisers komen niet in aanmerking voor de gevraagde mvv’s, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen hen en referent. In de eerste plaats stelt verweerder hiertoe dat referent niet voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid, nu hij niet altijd met eisers in gezinsverband heeft samengeleefd en hij in zijn eigen onderhoud heeft voorzien. In de tweede plaats stelt verweerder hiertoe dat er tussen referent en eisers geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Nu er geen beschermenswaardig familieleven bestaat, hoeft er volgens verweerder geen belangenafweging te worden gemaakt.
Beroepsgronden
5. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en hebben daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er tussen referent en eisers geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verweerder heeft bij de beoordeling hiervan ten onrechte sommige aspecten niet, of slechts in geringe mate, betrokken en heeft op onderdelen een onjuist toetsingskader gehanteerd. Verder heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt. Volgens eisers is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
Het oordeel van de rechtbank
Is er beschermenswaardig familieleven?
6. Tussen partijen staat ter discussie of er sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent en eisers. De rechtbank stelt vast dat eisers in dit verband niet verweerders standpunt bestrijden dat referent niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid (neergelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000). Wel bestrijden eisers het standpunt van verweerder dat er tussen hen en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraken niet langer spreekt van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ (of ‘more than the normal emotional ties’), maar van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. Dat zal de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak ook doen.
6.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat tussen meerderjarigen buiten het kerngezin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er daarbij vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.
6.3.
Verweerder heeft alle hiervoor vermelde elementen kenbaar en gemotiveerd bij zijn beoordeling of er sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ betrokken. Alvorens in te gaan op deze elementen en de standpunten die partijen daarover hebben ingenomen, gaat de rechtbank eerst in op het standpunt van eisers dat verweerder op verschillende onderdelen van zijn beoordeling een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd.
6.3.1.
Eisers hebben in dit verband in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft opgemerkt dat “
mtnet [more than the normal emotional ties; toevoeging rechtbank] juist ziet op andere afhankelijkheid dan van emotionele aard”. De rechtbank is met eisers van oordeel dat deze opmerking van verweerder niet juist is, aangezien emotionele afhankelijkheid een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of er sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ (zie ook overweging 6.2). Verweerder heeft dit ter zitting, desgevraagd, ook erkend. Deze onjuiste opmerking in het bestreden besluit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit, aangezien verweerder in het bestreden besluit de emotionele banden en (gestelde) afhankelijkheid tussen referent en eisers wel degelijk heeft betrokken en, in samenhang met de overige elementen, heeft beoordeeld. Hierop gaat de rechtbank onder 6.6. nader in.
6.3.2.
Eisers hebben in dit verband, onder verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6662, verder aangevoerd dat verweerder met zijn standpunt dat niet is gebleken dat referent zich zonder eisers ‘
niet staande kan houden’ een onjuist criterium heeft gehanteerd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, volgt dat voor het aannemen van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ niet vereist is dat een vreemdeling zonder referent (of andersom) niet zelfstandig kan functioneren, maar dat verweerder het antwoord op de vraag of een vreemdeling zonder referent (of andersom) zelfstandig kan functioneren – anders gezegd: het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent (of andersom) – wél als onderdeel mag betrekken bij zijn beoordeling. Verweerder heeft in het bestreden besluit, anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 20 maart 2024, niet als algemeen uitgangspunt vooropgesteld dat ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alleen worden aangenomen als referent niet zelfstandig kan functioneren zonder eisers. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit een beoordeling verricht waarbij hij alle (onder 6.2. genoemde) elementen, aan de hand van de aangevoerde individuele omstandigheden, heeft betrokken en in samenhang heeft bezien. Als onderdeel van die beoordeling, in het kader van het element ‘emotionele afhankelijkheid’, heeft verweerder ook betrokken dat niet is gebleken dat referent dusdanig emotioneel afhankelijk is van eisers dat hij zich zonder hen ‘niet staande kan houden’. Nu dit slechts een onderdeel van de totale beoordeling betreft, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het beoordelingskader zoals de Afdeling uiteengezet heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 18 juli 2025.
6.3.3.
Eisers hebben in dit verband als laatste aangevoerd dat verweerder met zijn standpunt dat hun veiligheidssituatie in Jordanië niet kan worden meegewogen omdat dit asielgerelateerde aspecten zijn, heeft miskend dat de veiligheidssituatie van eisers een belangrijke oorzaak is voor het feit dat referent zich meer dan gebruikelijk emotioneel betrokken voelt bij eisers. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet. Het door eisers bestreden standpunt van verweerder komt er slechts op neer dat de veiligheidssituatie van eisers in Jordanië geen zelfstandig element is dat bij de beoordeling of er sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ moet worden betrokken, nog daargelaten dat verweerder die veiligheidssituatie in het bestreden besluit (mogelijk ten overvloede) toch bij zijn beoordeling heeft betrokken (p. 7, eerste alinea, van het bestreden besluit). Het betwiste standpunt van verweerder houdt niet in, anders dan eisers veronderstellen, dat de veiligheidssituatie geen betekenis kan hebben voor de emotionele banden tussen referent en eisers. Verweerder heeft de bezorgdheid van referent over de situatie van eisers ook daadwerkelijk betrokken bij de beoordeling van de emotionele banden (p. 4, onderaan, en p. 5, bovenaan, van het voornemen) en ook heeft verweerder de psychische klachten van referent, die volgens hem mede toe te schrijven zijn aan de stress en zorgen over eisers, betrokken in zijn beoordeling (p. 5 en 6 van het bestreden besluit).
6.3.4.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eisers niet in hun standpunt dat verweerder op verschillende onderdelen van zijn beoordeling een onjuist beoordelingskader heeft toegepast.
6.4.
Over de door verweerder in zijn beoordeling betrokken elementen – te weten: samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid en zorgafhankelijkheid en de banden met het land van herkomst – overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een financiële (en materiële) afhankelijkheid tussen eisers en referent. Dit is door eisers niet bestreden. Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat wordt aangenomen dat referent psychische klachten heeft en dat eisers ook medische klachten hebben, maar dat er geen sprake van is dat er vanwege die medische klachten een zorgafhankelijkheid bestaat tussen referent en eisers. Dit is door eisers evenmin bestreden. Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers nog banden hebben met Jordanië. Ook dit standpunt is door eisers niet bestreden. Eisers bestrijden wel de standpunten die verweerder in het bestreden besluit heeft ingenomen over de elementen ‘samenwoning’ en ‘emotionele afhankelijkheid’.
6.5.
Over het element ‘samenwoning’ overweegt de rechtbank als volgt.
6.5.1.
Referent heeft als kind en jongvolwassene met eisers in Jordanië samengewoond. In 2011 is referent (hij was toen 21 jaar oud) vertrokken naar Algerije, waar hij (eerst) heeft gestudeerd en (later) heeft gewerkt. Vanaf 2018 is referent gaan wonen en werken in de Verenigde Arabische Emiraten, totdat hij in maart 2020 naar Nederland is gereisd en hier asiel heeft aangevraagd en gekregen. Eisers verbleven al die tijd in Jordanië. Uit het voorgaande volgt dat referent op het moment van inreis in Nederland al (ongeveer) 9 jaar niet meer samenwoonde met eisers. Op het moment van het bestreden besluit (26 april 2024) woonde referent al (ongeveer) 13 jaar niet meer samen met eisers. Verweerder stelt niet ten onrechte dat deze lange periode van niet-samenwonen (vanaf het moment dat referent 21 jaar oud was) een aanwijzing is dat er geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ die de gebruikelijke emotionele banden tussen een meerderjarig kind en zijn ouders overstijgen.
6.5.2.
Eisers stellen dat verweerder te veel nadelig gewicht toekent aan het feit dat referent en eisers al sinds 2011 niet meer samenwonen. Zij wijzen er in dit verband op dat referent Jordanië nooit zou hebben verlaten als hij niet te vrezen had voor vervolging vanwege de Jordaanse overheid en dat hij na zijn vertrek intensief contact met eisers heeft onderhouden. Zo is hij een aantal keren, met alle risico’s van dien, teruggegaan naar Jordanië en heeft hij eiser laten overkomen naar Algerije om voor hem daar verblijf te krijgen.
Voor zover hiermee wordt gesteld dat referents vertrek uit Jordanië in 2011 en daarmee de verbreking van zijn samenwoning met eisers noodgedwongen was, overweegt de rechtbank dat dit niet zonder meer volgt uit referents verklaringen. Weliswaar heeft referent verklaard dat hij in 2011 uit Jordanië is vertrokken nadat hij enkele problemen had ondervonden van de Jordaanse autoriteiten, maar hij heeft ook verklaard dat hij naar Algerije is gegaan om daar (door) te studeren. Verder heeft hij verklaard dat hij na zijn vertrek uit Jordanië in 2011 nog meerdere keren is teruggegaan naar Jordanië, terwijl ook niet is gebleken dat hij in Algerije (via de UNHCR) asiel heeft aangevraagd en gekregen.
Indien wél zou worden gevolgd dat referents vertrek uit Jordanië in 2011 en daarmee de verbreking van zijn samenwoning met eisers noodgedwongen was, dan geldt dat die verbreking nadien jarenlang heeft voortgeduurd. Niet is gebleken dat referent en eisers in die periode (van 2011 tot maart 2020) er alles aan hebben gedaan om zich te herenigen in Algerije, de Verenigde Arabische Emiraten of een ander land, waardoor de verbreking van de samenwoning in de loop der tijd een min of meer bestendig karakter heeft gekregen.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank niet het standpunt dat verweerder aan het feit dat referent en eisers al langdurig niet meer samenwonen geen of weinig (voor eisers nadelig) gewicht moest toekennen bij zijn beoordeling. Dat referent na zijn vertrek uit Jordanië in 2011 nog meerdere keren is teruggegaan naar Jordanië om eisers te bezoeken, met risico’s van dien, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier slechts om tijdelijke bezoeken, die weliswaar blijk geven van een goede emotionele band, maar niet, ook niet tezamen, gelijkgesteld of vergeleken kunnen worden met samenwoning, zijnde de meest intensieve vorm van samenleven.
6.6.
Over het element ‘emotionele afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt.
6.6.1.
Uit de omstandigheid dat referent na zijn vertrek uit Jordanië nog meerdere keren is teruggegaan naar Jordanië om eisers te bezoeken, met risico’s van dien, en uit hetgeen referent overigens heeft verklaard over de contacten met eisers, volgt dat referent en eisers een goede emotionele band hebben. Dit is door verweerder ook in het bestreden besluit onderkend en betrokken. Ook heeft verweerder onderkend en betrokken dat referent eisers mist en dat hij bezorgd is over hen en dat hij mede als gevolg daarvan psychische klachten ondervindt. Uit de overgelegde medische stukken (die overigens dateren uit 2022) volgt dat referent is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis, die mogelijk mede is veroorzaakt doordat hij alleen in Nederland is en zijn familie moet missen.
6.6.2.
Hoewel dus sprake is van een goede emotionele band tussen referent en eisers, heeft verweerder naar het oordeel, op grond van voormelde feiten en omstandigheden, niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat die emotionele band niet zo sterk is dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid. Verweerder heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat het begrijpelijk is dat referent eisers mist en dat hij zich zorgen over hen maakt, maar dat dit normaal is in een relatie tussen een meerderjarig kind en zijn ouders en dus niet de gebruikelijke banden overstijgt. Verder heeft verweerder er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat referent voor zijn komst naar Nederland al (ongeveer) 9 jaar niet meer met eisers samenleefde, en dat hij in die periode eerst in Algerije heeft gestudeerd en gewerkt en later in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gewerkt. Hieruit blijkt niet dat referent zich in die periode niet heeft kunnen redden zonder eisers. Ook is niet gebleken dat referent zich in Nederland niet (voldoende) kan redden zonder eisers. Weliswaar is referent gediagnosticeerd met een depressieve-stemmingsstoornis die mogelijk mede – maar niet uitsluitend – is toe te schrijven aan het gemis van eisers, maar uit de overgelegde medische stukken blijkt niet dat deze psychische klachten referent al te zeer belemmeren in zijn functioneren en dat de aanwezigheid van eisers daarom noodzakelijk is. In het verlengde daarvan heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat referent dusdanig emotioneel afhankelijk is van eisers dat hij zich zonder hen niet staande kan houden. Ook van de omgekeerde situatie is niet gebleken.
6.7.
Nu referent en eisers dus al langdurig niet meer samenwonen en die situatie een min of meer bestendig karakter heeft gekregen, er geen sprake is van een financiële afhankelijkheid, de emotionele banden niet zo sterk zijn dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid, er geen sprake is van een zorgafhankelijkheid vanwege hun gezondheidssituaties en eisers nog banden met Jordanië hebben, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er tussen referent en eisers ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden tussen een meerderjarig kind en zijn ouders overstijgen. Dit betekent dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tussen referent en eisers geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Belangenafweging?
7. Eisers hebben verder gesteld dat verweerder een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM had moeten maken. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder, na een beoordeling waarbij alle elementen en individuele aspecten zijn betrokken en gewogen, deugdelijk gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat er geen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan en dat daarom geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarom was verweerder niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse staat en de belangen van referent en eisers, maar kon hij volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. De rechtbank verwijst in dit verband naar de onder 6.2. vermelde Afdelingsuitspraak van 27 maart 2024. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep bestaat geen aanleiding.

Verzoek om schadevergoeding

9. Eisers hebben op 18 december 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
9.1.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
9.2.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 1 maart 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaarstermijn met (afgerond naar boven) twee jaar en drie maanden – zijnde 27 maanden – is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eisers hebben daarom recht op € 2.500,- aan schadevergoeding.
9.3.
De behandeling van het bezwaar heeft (afgerond naar boven) 26 maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met (afgerond naar boven) 20 maanden overschreden. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten: 7 maanden, komt voor rekening van de rechtbank. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor 20/27 deel aan verweerder toegerekend en voor 7/27 deel aan de rechtbank. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eisers van (20/27 van € 2.500,- =) € 1.852,- en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van (7/27 van € 2.500,- =) € 648,-.
9.4.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Voor het verzoek om schadevergoeding is niet afzonderlijk griffierecht geheven, zodat een vergoeding daarvan niet aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 1.852,-;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 648,-;
  • bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van (€ 467,- + € 233,50 =) € 700,50;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.