ECLI:NL:RBDHA:2026:16583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Koerdische Syriër wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Koerdische Syriër, diende op 1 januari 2024 een asielaanvraag in in Nederland. Hij vluchtte in 2013 uit Syrië naar Turkije, waar zijn gezin tot 2023 verbleef. Eiser stelt dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst niet veilig is in Syrië, met verwijzing naar incidenten binnen zijn familie en rapporten over de situatie van Koerden in Syrië.
De minister wees de aanvraag op 10 februari 2026 af wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank bevestigt dit oordeel na behandeling van het beroep op 9 juni 2026. De minister achtte de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar vond dat de situatie voor Koerden in Syrië verbetert en dat er geen aanwijzingen zijn dat Koerden als groep of eiser persoonlijk een verhoogd risico lopen.
De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat eiser Koerd is en uit Afrin komt onvoldoende is om een individueel verhoogd risico aan te nemen. Ook het verwijzen naar familie-incidenten is niet voldoende om persoonlijke vervolging aannemelijk te maken. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en landeninformatie die Syrië kwalificeert als een situatie van willekeurig geweld in de laagste gradatie, waarbij eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd om een hoger risico aan te tonen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier N. Walstra op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.