ECLI:NL:RBDHA:2026:16583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.8630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 15c Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Koerdische Syriër wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging

Eiser, een Koerdische Syriër, diende op 1 januari 2024 een asielaanvraag in in Nederland. Hij vluchtte in 2013 uit Syrië naar Turkije, waar zijn gezin tot 2023 verbleef. Eiser stelt dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst niet veilig is in Syrië, met verwijzing naar incidenten binnen zijn familie en rapporten over de situatie van Koerden in Syrië.

De minister wees de aanvraag op 10 februari 2026 af wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank bevestigt dit oordeel na behandeling van het beroep op 9 juni 2026. De minister achtte de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar vond dat de situatie voor Koerden in Syrië verbetert en dat er geen aanwijzingen zijn dat Koerden als groep of eiser persoonlijk een verhoogd risico lopen.

De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat eiser Koerd is en uit Afrin komt onvoldoende is om een individueel verhoogd risico aan te nemen. Ook het verwijzen naar familie-incidenten is niet voldoende om persoonlijke vervolging aannemelijk te maken. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en landeninformatie die Syrië kwalificeert als een situatie van willekeurig geweld in de laagste gradatie, waarbij eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd om een hoger risico aan te tonen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier N. Walstra op 19 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8630

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser is in 2013 uit Syrië vertrokken naar Turkije. Zijn echtgenote en vier kinderen zijn in 2015 ook naar Turkije gekomen. Zij hebben samen tot 2023 in Turkije gewoond. Omdat eiser geen familie meer heeft in Turkije en het daar zwaar is, is hij vertrokken naar Nederland. Zijn echtgenote en kinderen zijn in Turkije achtergebleven. Eiser kan niet terug naar Syrië omdat hij Koerd is. Koerden zijn niet veilig in Syrië. Verschillende groeperingen, waaronder Abu Amsha, vermoorden Koerden en plunderen hun huizen. De moeder van eiser is in 2018 uit huis gehaald, drie maanden later is zij overleden. Een oom is doodgeslagen en een neef van eiser is nog vermist.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
Identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser worden geloofwaardig geacht. De minister stelt zich echter op het standpunt dat dit geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië oplevert. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Gegronde vrees voor vervolging
5. Eiser meent dat de minister miskent dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens zijn ras/etniciteit. Hij is immers Koerd. Eiser verwijst daartoe naar onder andere het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, de EUAA Country Guidance van december 2025 en een rapportage van Human Right Watch. Uit deze bronnen volgt volgens eiser dat het voor Koerden niet veilig is in Syrië. Zij krijgen te maken met plunderingen en vernielingen, SNA-facties opereren autonoom en Koerden lopen door deze facties een verhoogd risico. De minister moet het beleid aanpassen en Koerden als risicoprofiel aanwijzen. Daarnaast meent eiser dat hij zijn vrees voldoende individueel heeft gemaakt. Hij komt immers uit Afrin, is Koerd en zijn familie heeft verschillende incidenten meegemaakt.
5.1.
De minister heeft er terecht op gewezen dat uit landeninformatie niet volgt dat iedere Koerd in Syrië, en specifiek in Aleppo, een gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn etniciteit. Uit de landeninformatie volgt juist dat de situatie voor Koerden verbetert. Daar heeft de minister bij mogen betrekken dat de overgangsregering heeft uitgesproken minderheden, waaronder Koerden, te willen beschermen. [1] Ook heeft de minister kunnen wijzen op het feit dat president Al-Sharaa een decreet heeft ondertekend waarin hij bevestigt dat Koerden een integraal onderdeel zijn van Syrië en dat hij de culturele en taalkundige positie van de Koerden zal erkennen, waaronder de viering van Nowruz als nationale feestdag. [2] Daarbij volgt uit landeninformatie niet dat Koerden vanwege discriminatie zo ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Gelet hierop heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank Koerden dan ook niet als risicoprofiel hoeven aanmerken.
5.2.
Los van de vraag of Koerden uit Syrië als risicoprofiel moeten worden aangemerkt, betekent het vallen onder een risicoprofiel niet automatisch dat eiser te maken krijgt met vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Het is aan eiser om zijn individuele vrees voor vervolging aannemelijk te maken, ook als hij zou vallen onder een risicoprofiel. Eiser benoemt in dat kader dat hij uit Afrin komt en zijn familie verschillende incidenten heeft meegemaakt. De minister heeft, met verwijzing naar landeninformatie, kunnen vinden dat niet is gebleken dat de situatie voor Koerden in Afrin onveilig is. Eiser heeft daartoe geen concrete gronden aangevoerd. De minister heeft het verder niet aannemelijk kunnen vinden dat eiser persoonlijk gegronde vrees voor vervolging heeft door de incidenten van zijn familieleden in 2018. De minister heeft bij zijn oordeel kunnen betrekken dat eiser verwijst naar gebeurtenissen die anderen zijn overkomen en dat eiser geen indicatie heeft gegeven waaruit volgt dat hem persoonlijk iets zal overkomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische afkomst.
Reëel risico op ernstige schade
6. Eiser verwijst naar enkele uitspraken [3] waarin is geoordeeld over de gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (nu: de Kwalificatieverordening). Hij stelt dat al is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat is Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Eiser licht verder toe dat hij niet meent dat de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld geldt voor Syrië, maar dat de minister ook onder de laagste gradatie niet kan volstaan met standaardzinnen. Hij keert immers terug uit Europa, om die reden loopt hij persoonlijk meer gevaar. De minister dient de structurele risico’s voor Koerden die terugkeren naar Afrin/Aleppo kenbaar te wegen. De minister moet toetsen of eiser als terugkerende Koerd gevaar loopt en niet als maatstaf ‘iedere Koerd’ of ‘iedere terugkeerder’ gebruiken. Nu dit niet is gedaan is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en bevat het besluit een motiveringsgebrek.
6.1.
Voor zover eiser hiermee stelt dat niet van de laagste gradatie van willekeurig geweld uitgegaan mag worden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld. [4] In die uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Eiser volstaat met een enkele verwijzing naar andere uitspraken en de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen. Het na de uitspraak van de meervoudige kamer verschenen ambtsbericht [5] maakt dit niet anders. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. [6] Ambtshalve betrekt de rechtbank verder het COI-rapport van 19 mei 2026 [7] , waaruit weliswaar blijkt dat er een duidelijke geweldspiek was in onder andere Aleppo tijdens het offensief van de overgangsregering in januari 2026, maar dat dit geweld aanzienlijk afnam na het sluiten van het alomvattende akkoord op 30 januari 2026. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken van een situatie waarbij de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
6.2.
Dit brengt met zich mee dat eiser individuele omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld, om aannemelijk te maken dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit landeninformatie volgt dat er geen informatie bekend is waaruit blijkt dat terugkeerders uit Europa problemen ondervinden. [8] Ook volgt uit de landeninformatie niet dat Koerden een verhoogd risico lopen op willekeurig geweld. De minister heeft de enkele stelling dat eiser een Koerd is die terugkeert uit Europa naar Afrin onvoldoende kunnen vinden als reden waarom eiser verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft de minister hierin in zijn algemeenheid geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië hoeven aannemen.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.EUAA rapport Syrië van december 2025, pagina 41.
2.Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, pagina 107.
3.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 8 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15472.
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
5.Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.
6.ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie ook de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9954
7.COI-Focus Syrië, De situatie in Noordoost-Syrië (voormalig DAANES-gebied), p. 2.
8.Algemeen ambtsbericht van mei 2025, pagina 128 en het algemeen ambtsbericht van januari 2026, pagina 137 ev.