Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9954

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL26.6204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiser, een Syrische Koerd, verzocht op 3 januari 2024 om een verblijfsvergunning asiel, welke op 4 februari 2026 werd afgewezen door verweerder. De rechtbank behandelde het beroep op 14 april 2026. Eiser vreesde vervolging vanwege zijn Koerdische afkomst, politieke activiteiten van zijn vader en zijn muzikale optredens die als pro-Assad werden gezien.

Verweerder achtte de eerste drie asielmotieven geloofwaardig, maar vond het vierde motief, de politieke activiteiten van de vader, ongeloofwaardig wegens gebrek aan bewijs. Tevens concludeerde verweerder dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade door willekeurig geweld had. De rechtbank oordeelde dat verweerder het ongeloofwaardig mocht vinden dat de vader politiek actief was en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor persoonlijke vervolgingsvrees.

De rechtbank stelde vast dat de discriminatie op grond van Koerdische etniciteit niet volstond voor vervolging en dat de dreiging van gedwongen rekrutering door Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk was. Ook de stelling dat eiser als Assad-aanhanger wordt gezien, werd niet bewezen. Wel erkende de rechtbank een motiveringsgebrek in de beoordeling van het risico op ernstige schade door willekeurig geweld, waardoor het besluit werd vernietigd.

Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de aanvullende motivering in het verweerschrift voldoende was. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 3 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum] 1987. Eiser heeft verklaard dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de oorlogssituatie. Eiser is in 2012 benaderd door de Koerdische autoriteiten om zich aan te sluiten bij hen, waarna hij is vertrokken naar Turkije. Eiser heeft verder als toetsenist opgetreden in discotheken en op bruiloften in Syrië en Turkije. Tijdens deze optredens heeft hij nummers gespeeld die worden gezien als pro-Assad. Naar aanleiding hiervan is hij in 2014 twee keer telefonisch bedreigd. Ook is hij bedreigd tijdens een live-uitzending op TikTok. Daarnaast komt eiser uit een Koerdische familie uit [plaats 1] die bekend is en politiek actief is geweest. Eiser vreest dat hij bij terugkeer zal worden gedood of zal worden gedwongen om te vechten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief);
dat eiser in 2012 door Koerdische partijen is benaderd (het tweede asielmotief);
dat eiser muzikant is en tweemaal telefonisch en eenmaal via TikTok is bedreigd (het derde asielmotief);
dat eisers vader politiek actief is geweest en daardoor problemen heeft ondervonden (het vierde asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt het eerste, tweede en derde asielmotief geloofwaardig. Verweerder vindt het vierde asielmotief niet geloofwaardig, omdat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daar geen goede verklaring voor heeft en zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [1] Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk vanwege zijn Koerdische etniciteit te vrezen heeft voor vervolging. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn optredens als aanhanger van het Assad regime wordt gezien en om die reden te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder vindt tot slot dat dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder heeft verwezen naar zijn beleid [2] waaruit volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Uit het algemeen ambtsbericht van 2025 blijkt dat het geweld incidenteel van aard is en dat het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld relatief laag is. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat verweerder het vierde asielmotief onzorgvuldig en met een onredelijke bewijsmaatstaf heeft beoordeeld. Het is voor hem immers niet mogelijk om de activiteiten van zijn vader met documenten te onderbouwen. Verder heeft verweerder niet onderkend dat eiser een toegedichte politieke overtuiging heeft en bij terugkeer als vermeend aanhanger van het oude regime wordt gezien en daarom doelwit zal worden van represailles. Verweerder heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Zo had van verweerder verwacht mogen worden dat hij naar de (aard van de) online content had gekeken. Verweerder miskent ook dat beperkte online zichtbaarheid voldoende kan zijn om bij checkpoints door lokale machthebbers of door vijandige individuen te worden herkend. Daarnaast heeft verweerder een feitelijke misslag gemaakt in de actualiteitsbeoordeling, door te stellen dat eiser voor het laatst is bedreigd in 2014. Eiser stelt daarnaast dat verweerder de risico’s die voortvloeien uit zijn Koerdische etniciteit en herkomst uit [plaats 1] structureel onderschat. Het feit dat eiser niet voortdurend is benaderd door de Koerdische autoriteiten, sluit niet uit dat bij terugkeer opnieuw druk wordt uitgeoefend. Eiser voert verder aan dat verweerder de beoordeling onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de individuele risico verhogende omstandigheden van eiser en deze ten onrechte gereduceerd tot losse elementen. Daarbij komt dat de humanitaire situatie in Syrië extreem ernstig is en een zelfstandige factor vormt in de beoordeling van artikel 3 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder het vierde asielmotief ongeloofwaardig vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het ongeloofwaardig mocht vinden dat eisers vader politiek actief is geweest en daardoor problemen heeft ondervonden en overweegt hiertoe als volgt.
6.1.
Verweerder heeft allereerst mogen tegenwerpen dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser enige documentatie zou moeten kunnen overleggen van de politieke activiteiten van zijn vader en de bekendheid van zijn familie. Bovendien had het in de lijn der verwachting gelegen dat eiser documenten had kunnen overleggen waaruit blijkt dat zijn familieleden worden gezocht en hun bezittingen in 2018 zijn afgenomen. Eisers verklaring dat het in Syrië vaak onmogelijk is om officiële documenten over politieke activiteiten en vervolging te verkrijgen, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een verschoonbare verklaring voor het niet kunnen overleggen van dergelijke documenten. Eiser heeft deze verklaring namelijk niet onderbouwd. Daar komt bij dat eiser ook geen niet-officiële documenten heeft overgelegd. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om aan documenten te komen om het asielmotief te onderbouwen. De rechtbank volgt eiser er niet in dat verweerder een onredelijke bewijsmaatstaf hanteert.
6.2.
Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat eisers vader nog in Syrië woont en zich op het standpunt mogen stellen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het vierde asielmotief. Dat zijn vader in Koerdisch gebied woont, maakt voorgaande niet anders. Eiser stelt dat zijn vader te vrezen heeft voor de Syrische autoriteiten. Niet valt daarom in te zien dat hij het land niet heeft verlaten.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij een terugkeer naar Syrië en overweegt hiertoe als volgt.
Koerdische etniciteit
7.1.
Verweerder heeft zich allereerst op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn Koerdische etniciteit bij terugkeer naar Syrië gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit het landenbeleid voor Syrië volgt dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep niet als risicoprofiel is aangemerkt. Dat betekent dat Koerden in het algemeen niet enkel vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor vervolging. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht van Syrië volgt dat president Al-Sharaa op 16 januari 2026 een decreet heeft ondertekend waarin hij bevestigt dat Koerden een integraal onderdeel zijn van Syrië en belooft culturele en taalkundige rechten te erkennen, waaronder de officiële status van de Koerdische taal en nowruz als nationale feestdag. [3] Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij wel persoonlijk te vrezen heeft vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat de discriminatie die eiser eerder heeft ondervonden als Koerd niet dusdanig van aard is dat dit moet worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt was namelijk niet zo ernstig dat hij niet kon functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Zo volgt uit het dossier dat eiser heeft kunnen wonen en werken in Syrië en toegang heeft gehad tot scholing. Eisers betoog dat verweerder de risico’s die voortvloeien uit zijn Koerdische etniciteit en herkomst uit [plaats 1] structureel onderschat, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet.
Gedwongen rekrutering door Koerdische strijdkrachten
7.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eisers vrees om gedwongen gerekruteerd te worden door Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser in 2012 voor het laatst is benaderd door de SDF en dat hij daarna niets meer heeft vernomen van hen. Ook heeft eisers moeder, nadat zij de Koerdische partijen twee keer te woord heeft gestaan, niets meer van hen vernomen. Eisers betoog dat het feit dat hij niet voortdurend is benaderd door de SDF niet uitsluit dat bij terugkeer opnieuw druk wordt uitgeoefend, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft er namelijk op kunnen wijzen dat uit beschikbare openbare informatie niet volgt dat er sprake is van een (verplichte) Koerdische militaire dienstplicht. Eiser heeft hier geen informatie tegenover gezet. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Syrië wordt gezien als landverrader en alsnog gedwongen wordt gerekruteerd door Koerdische strijdkrachten.
Toegedicht Assad-aanhanger7.3. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië gezien wordt als aanhanger van het Assad regime. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser in 2014 voor het laatst telefonisch is bedreigd door iemand van Al Nusra en daarna geen telefonische bedreigingen meer heeft ontvangen. Eiser is weliswaar anderhalf jaar geleden eenmalig tijdens een live-uitzending op TikTok bedreigd door enkele deelnemers, maar verweerder heeft kunnen vinden dat dit niet aannemelijk maakt dat eiser daardoor in de negatieve belangstelling staat van de huidige Syrische autoriteiten of andere partijen. Bovendien bieden eisers online activiteiten onvoldoende aanknopingspunten om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Zo heeft eiser op sociale media een relatief beperkt bereik. Eisers stelling dat hij overal in Syrië wordt herkend, slaagt daarom niet. Dat beperkte online zichtbaarheid voldoende kan zijn om bij checkpoints door lokale machthebbers of door vijandige individuen te worden herkend omdat video’s eenvoudig kunnen worden gedeeld of verspreid, volgt de rechtbank evenmin. Eiser baseert zijn stelling namelijk op aannames en heeft er geen concrete aanwijzingen voor dat zijn video’s op sociale media zijn gedeeld of verspreid en dat hij om die reden overal in Syrië wordt herkend. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf heeft verklaard dat hij zich op sociale media nooit politiek heeft geuit, maar dat hij enkel muziek plaatst. [4] Eiser heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijk deelnam aan optredens die als pro-Assad werden bestempeld. Eisers betoog dat het aan verweerder is om alle video’s van zijn YouTube-kanaal te laten vertalen, slaagt niet. Het is immers in eerste instantie aan de vreemdeling om zijn asielmotieven te onderbouwen. Eiser heeft ook niet anderszins onderbouwd dat hij bij terugkeer als aanhanger van het Assad regime wordt gezien en om die reden gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat er andere muzikanten zouden zijn opgepakt, leidt ook niet tot een ander oordeel nu eiser ook dit niet heeft onderbouwd. Eisers betoog dat verweerder had moeten beoordelen of eiser een toegedichte politieke overtuiging heeft en bij terugkeer als vermeend aanhanger van het oude regime wordt gezien, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit weldegelijk beoordeeld of het aannemelijk is dat eiser bij terugkeer zal worden toegedicht dat hij een Assad-aanhanger is.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt?8. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM een motiveringsgebrek kent. Het beroep is alleen al daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder heeft ter zitting verzocht om de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op de aanvullende motivering in het verweerschrift. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij wordt de aanvullende motivering betrokken.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld8.1. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [5] , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [6]
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [7] De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [8] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [9]
8.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. [10] Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.
Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [provincie], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de [provincie] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [provincie]. Verder waren er in [provincie] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [provincie], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats 2] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [provincie].
8.2.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [11] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [12] Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [provincie] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
8.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [provincie].
8.4.
Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser betoogt dat hij wel individuele omstandigheden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheden. Eiser is namelijk een Koerd uit [plaats 1] en heeft een verleden als muzikant. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden geen risico verhogende omstandigheden vormen in het kader van de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Niet valt namelijk in te zien dat eiser hierdoor verhoogd risico loopt om geraakt te worden door willekeurig geweld.
De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM9. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [13] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
9.1.
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [14] Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij Koerd is, uit [plaats 1] komt en vanwege zijn verleden als muzikant. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijk motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de aanvullende motivering van 13 april 2026 alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als ongegrond blijft staan.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 107.
4.Nader gehoor van 1 januari 2026, p. 10.
5.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
6.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
7.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
9.Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
10.Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.
11.Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.
12.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
13.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
14.Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).