ECLI:NL:RBDHA:2026:16584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL23.30968
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig familieleven tussen broer en zus

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen voor eiseres, de zus van referent die in Nederland verblijft. De kernvraag is of er sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, waarbij de rechtbank beoordeelt of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het beoordelingskader niet volledig juist heeft uitgelegd, maar wel juist heeft toegepast door een brede en samenhangende beoordeling van samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid en zorgafhankelijkheid. Er is vastgesteld dat eiseres en referent al circa tien jaar niet samenwonen, er geen financiële afhankelijkheid is aangetoond en de emotionele band, hoewel hecht, niet zo sterk is dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid die het gebruikelijke overstijgt.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de mvv-aanvraag in stand blijft.

Daarnaast wordt eiseres een schadevergoeding toegekend van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 737,- voor rekening van verweerder en € 1.263,- voor rekening van de Staat. Verweerder en de Staat worden ook veroordeeld tot betaling van proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30968

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei),
alsmede
de Staat der Nederlanden(namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).

Procesverloop

Op 4 augustus 2021 heeft [persoon A] (referent) ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’.
Bij besluit van 1 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Op 21 november 2022 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Op 17 juni 2023 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
Op 28 september 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
Bij besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Op 18 januari 2024 heeft eiseres beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
Op 30 augustus 2024 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.
Op 17 december 2025 heeft eiseres een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om schadevergoeding, op 19 december 2025 op zitting behandeld. Referent is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Inleiding

1. Eiseres heeft op 28 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaar tegen het primaire besluit. Verweerder heeft op 21 december 2023 alsnog een besluit op het bezwaar genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu verweerder daarmee niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit namelijk ongegrond verklaard.

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar

2.1.
Omdat verweerder inmiddels alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
2.2.
De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in dit verband heeft moeten maken. De ingebrekestelling is ingediend na het verstrijken van de beslistermijn, wat betekent dat er een geldige ingebrekestelling is ingediend. Verweerder heeft vervolgens niet binnen twee weken een besluit genomen, waarna eiseres beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingesteld. Pas daarna heeft verweerder een besluit genomen. Dit betekent dat het beroep niet zonder reden was ingesteld, hetgeen een vergoeding van de proceskosten rechtvaardigt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden.

Beroep tegen het bestreden besluit

De aanvraag
3.1.
Referent is geboren op [geboortedatum 1] 2002 en heeft de Eritrese nationaliteit. Op 16 oktober 2018 heeft hij een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Eiseres is de zus van referent. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1986 en heeft eveneens de Eritrese nationaliteit. Zij verblijft in [woonplaats] , Ethiopië.
3.2.
Op 3 januari 2019 heeft referent mvv-aanvragen in het kader van nareis/gezinshereniging ingediend voor zijn vader, zijn moeder, eiseres en zijn drie andere zussen (waarvan er twee jonger zijn dan referent). Bij besluit van 16 april 2019 heeft verweerder de voor eiseres ingediende mvv-aanvraag niet in behandeling genomen, omdat referent de leges niet had betaald. De ten behoeve van zijn vader, zijn moeder en zijn drie andere zussen ingediende mvv-aanvragen zijn ingewilligd. Zij verblijven inmiddels samen met referent in Nederland.
3.3.
Op 4 augustus 2021 heeft referent opnieuw een mvv-aanvraag ingediend ten behoeve van eiseres. Hierover gaat deze procedure.
Het bestreden besluit
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit houdt – samengevat weergegeven – het volgende in. Eiseres komt niet in aanmerking voor de gevraagde mvv, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen haar en referent. Verweerder stelt hiertoe dat er tussen eiseres en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verder stelt verweerder dat er ook geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiseres en haar (inmiddels in Nederland verblijvende) ouders en (jongere) zussen. De belangenafweging tussen de belangen van de Nederlandse staat en de belangen van eiseres, referent en de overige familieleven valt in hun nadeel uit.
Beroepsgronden
5. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er tussen eiseres en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verweerder heeft bij de beoordeling hiervan ten onrechte als vereiste opgenomen dat de betreffende familieleden niet in staat zijn zelfstandig te functioneren. Dat is niet een vereiste dat in de rechtspraak van het EHRM wordt gesteld. Verder geldt dat verweerder niet dan wel onvoldoende heeft betrokken en/of in het voordeel van eiseres en referent heeft gewogen dat eiseres jarenlang als moeder voor referent heeft gezorgd, dat referent eiseres financieel ondersteunt, dat er een sterke emotionele band is en dat de huidige situatie met contact op afstand emotioneel slopend voor hen is. Verder voert eiseres aan dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in hun nadeel is uitgevallen.
Het oordeel van de rechtbank
Is er beschermenswaardig familieleven?
6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat tussen eiseres en referent. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder in het aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2024 met concrete beroepsgronden bestreden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ook op het standpunt gesteld dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiseres en de overige familieleden (te weten: vader, moeder en de zussen). In het aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2024 heeft eiseres laten weten dat zij zich met dit standpunt van verweerder evenmin kan verenigen en dat zij in een afzonderlijk schrijven beroepsgronden hiertegen zal aanvoeren. Er zijn echter geen nadere beroepsgronden meer ingediend. Dit betekent dat eiseres geen concrete beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen haar en de overige familieleden. Gelet hierop zal de rechtbank hierna alleen beoordelen of verweerder zich rechtmatig op het standpunt heeft gesteld dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiseres en referent.
6.1.
Volgens verweerder is geen sprake van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en referent, omdat er tussen hen geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraken niet langer spreekt van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ (of ‘more than the normal emotional ties’), maar van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. Dat zal de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak ook doen.
6.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat tussen meerderjarigen buiten het kerngezin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er daarbij vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.
6.3.
Verweerder heeft alle hiervoor vermelde elementen, voor zover aangevoerd, kenbaar en gemotiveerd bij zijn beoordeling of er sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ tussen eiseres en referent betrokken. Alvorens in te gaan op deze elementen en de standpunten die partijen daarover hebben ingenomen, gaat de rechtbank eerst in op het argument van eiseres dat verweerder met zijn standpunt dat de banden zodanig sterk moeten zijn dat de betreffende gezinsleden ‘niet in staat zijn zelfstandig te functioneren’ een onjuist criterium heeft gehanteerd bij zijn beoordeling.
6.4.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, volgt dat voor het aannemen van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ niet vereist is dat een vreemdeling zonder referent niet zelfstandig kan functioneren, maar dat verweerder het antwoord op de vraag of een vreemdeling zonder referent zelfstandig kan functioneren – anders gezegd: het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent – wél als onderdeel mag betrekken bij zijn beoordeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit inderdaad als algemeen uitgangspunt voorop heeft gesteld dat voor het aannemen van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ vereist is dat de banden zo sterk zijn dat de gezinsleden niet in staat zijn zelfstandig te functioneren. Hiermee heeft verweerder het beoordelingskader niet juist uitgelegd. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van het bestreden besluit (vgl. de Afdelingsuitspraak van 15 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6062). Verweerder heeft zijn beoordeling namelijk, ondanks zijn onjuiste uitleg van het beoordelingskader, niet beperkt tot de vraag of eiseres zonder referent niet zelfstandig kan functioneren, maar heeft een brede beoordeling verricht waarbij hij alle elementen, aan de hand van de aangevoerde individuele omstandigheden, heeft betrokken en in samenhang heeft bezien. Als onderdeel van die beoordeling, in het kader van het element ‘emotionele afhankelijkheid’, heeft verweerder ook betrokken dat niet is gebleken dat er een zodanige emotionele afhankelijkheid bestaat dat eiseres en/of referent niet in staat is te functioneren als gevolg van de huidige scheiding. Nu dit slechts een onderdeel van de totale beoordeling betreft, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het beoordelingskader zoals de Afdeling uiteengezet heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 18 juli 2025. Het beoordelingskader is in het bestreden besluit dus weliswaar niet juist uitgelegd, maar niet onjuist toegepast.
6.5.
Over de door verweerder in zijn beoordeling betrokken elementen – te weten: samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid en zorgafhankelijkheid – overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres en referent geen medische problemen hebben. Dit standpunt, dat mede omvat dat er geen sprake is van een door medische omstandigheden ingegeven zorgafhankelijkheid, is door eiseres niet bestreden. Eiseres bestrijdt wel de standpunten die verweerder in het bestreden besluit heeft ingenomen over de elementen ‘samenwoning’, ‘financiële afhankelijkheid’ en ‘emotionele afhankelijkheid’.
6.6.
Over het element ‘samenwoning’ overweegt de rechtbank als volgt.
6.6.1.
Eiseres en referent hebben in Eritrea, samen met de rest van het gezin, samengewoond totdat referent tussen de 8 en 10 jaar oud was. Toen – dat moet omstreeks 2011 zijn geweest – is eiseres uit huis vertrokken omdat zij in dienstplicht moest. Referent heeft Eritrea omstreeks 2017 verlaten en is uiteindelijk naar Nederland gekomen. Eiseres heeft Eritrea in 2017/2018 verlaten, (mede) om zich te onttrekken aan de dienstplicht, en is naar Ethiopië gegaan, waar zij thans verblijft. Uit het voorgaande volgt dat eiseres en referent op het moment van inreis van referent in Nederland in 2017/2018 al (ongeveer) 6-7 jaar niet meer samenwoonden. Op het moment van indienen van onderhavige mvv-aanvraag (4 augustus 2021) woonden eiseres en referent al (ongeveer) 10 jaar niet meer samen.
6.6.2.
Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken dat eiseres gedurende hun periode van samenwoning verzorgende taken voor referent heeft verricht. Anders dan eiseres stelt heeft verweerder dit ook in hun voordeel gewogen, in die zin dat wordt aangenomen dat dit de hechte familieband tussen hen des te sterker heeft gemaakt. Ook heeft verweerder bij zijn beoordeling betrokken en in hun voordeel gewogen dat hun samenwoning onvrijwillig is verbroken. Echter, verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, in het kader van het element ‘samenwoning’, niet ten onrechte meer betekenis gehecht aan het gegeven dat eiseres en referent al lange tijd niet meer samenwonen. Door dit tijdsverloop heeft de situatie van niet-samenwonen in de loop der tijd een min of meer bestendig karakter gekregen, waarbij meespeelt dat uit de beslissingen die zij destijds hebben gemaakt (referent is naar Nederland vertrokken, terwijl eiseres in diezelfde periode naar Ethiopië is vertrokken) niet zonder meer blijkt dat zij met elkaar moeten samenleven. Ook de omstandigheid dat referent pas 2,5 jaar na het niet in behandeling nemen van de eerste mvv-aanvraag een nieuwe mvv-aanvraag voor eiseres heeft ingediend, wijst daar niet. Gelet op dit een en ander stelt verweerder niet ten onrechte dat de lange periode van niet-samenwonen (vanaf het moment dat referent 8-10 jaar oud was) een aanwijzing is dat er geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ die de gebruikelijke emotionele banden tussen meerderjarige broers en zussen overstijgen.
6.7.
Over het element ‘financiële afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat referent zijn stelling dat hij eiseres financieel ondersteunt niet met stukken heeft onderbouwd. Daardoor is niet aannemelijk gemaakt dat referent eiseres financieel ondersteunt, laat staan dat die ondersteuning een substantieel karakter heeft. Gelet hierop, en nu er slechts weinig concrete informatie is verstrekt over de precieze leefomstandigheden van eiseres in Ethiopië, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er een financiële afhankelijkheid bestaat tussen eiseres en referent.
6.8.
Over het element ‘emotionele afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt. Uit referents verklaringen (onder andere over de verzorgende rol die eiseres destijds in Eritrea voor hem heeft vervuld en over hun contact op afstand) volgt dat eiseres en referent een hechte emotionele band hebben. Dit is door verweerder ook in het bestreden besluit onderkend en betrokken. Ook heeft verweerder onderkend en betrokken dat eiseres en referent elkaar missen en dat referent bezorgd is over de situatie van eiseres, wat een bevestiging is van het bestaan van een hechte band. Maar verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de emotionele band ook weer niet zo sterk is dat moet worden geoordeeld dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verweerder heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat het begrijpelijk is dat referent eiseres mist en dat hij zich zorgen over haar maakt, maar dat dit niet de gebruikelijke banden tussen meerderjarige broers en zussen overstijgt. Verder heeft verweerder er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat eiseres en referent al lange tijd niet meer samenleven, zonder dat is gebleken dat zij zich zonder elkaar niet (voldoende) hebben kunnen redden. Ook hierbij speelt mee dat er maar weinig concrete informatie is verstrekt over de precieze leefsituatie van eiseres in Ethiopië. In het verlengde daarvan heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat er een zodanige emotionele afhankelijkheid bestaat dat eiseres of referent niet in staat is om te functioneren als zij niet samen zijn.
6.9.
Nu eiseres en referent dus al langdurig niet meer samenwonen en die situatie een min of meer bestendig karakter heeft gekregen, er geen sprake is van een financiële afhankelijkheid, de emotionele banden niet zo sterk zijn dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid en er geen sprake is van een zorgafhankelijkheid, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eiseres en referent ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden tussen meerderjarige broers en zussen overstijgen. Dit betekent dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiseres en referent geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Belangenafweging
7. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder, na een beoordeling waarbij alle elementen en individuele aspecten zijn betrokken en gewogen, deugdelijk gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat er geen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan en dat daarom geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarom was verweerder niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse staat en de belangen van referent en eiseres, en kon hij volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. De rechtbank verwijst in dit verband naar de onder 6.2. vermelde Afdelingsuitspraak van 27 maart 2024. Gelet hierop laat de rechtbank de (ten overvloede) door verweerder in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging en wat eiseres daartegen heeft aangevoerd inhoudelijk onbesproken.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat geen van de beroepsgronden doel treft, is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling in verband met dit beroep bestaat geen aanleiding.

Verzoek om schadevergoeding

9. Eiseres heeft op 17 december 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
9.1.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
9.2.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 21 november 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. Dit betekent dat op het moment van het doen van deze uitspraak de tweejaarstermijn met, afgerond naar boven, één jaar en zeven maanden – zijnde 19 maanden – is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eiseres heeft daarom recht op € 2.000,- aan schadevergoeding.
9.3.
De behandeling van het bezwaar heeft precies 13 maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met 7 maanden overschreden. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten: 12 maanden, komt voor rekening van de rechtbank. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor 7/19 deel aan verweerder toegerekend en voor 12/19 deel aan de rechtbank. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van (7/19 van € 2.000,- =) € 737,- en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van (12/19 van € 2.000,- =) € 1.263,-.
9.4.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat elk de helft van de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Voor het verzoek om schadevergoeding is niet afzonderlijk griffierecht geheven, zodat een vergoeding daarvan niet aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 737-;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.263,-;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van (€ 467,- + € 233,50 =) € 700,50;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.