ECLI:NL:RBDHA:2026:16595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16160
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 13, eerste lid, Verordening (EU) nr 604/2013Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Spanje onder Dublinverordening

Eiser, van Soedanese nationaliteit, diende op 16 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat hij illegaal via Spanje het Dublingebied was binnengekomen en verzocht Spanje om zijn asielaanvraag te behandelen. Spanje aanvaardde dit verzoek. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser voerde aan dat Nederland het verzoek op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zelf had moeten behandelen, omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Spanje niet meer geldt. Hij verwees naar het AIDA-rapport 2024, een Europese inbreukprocedure tegen Spanje en zijn persoonlijke ervaringen, waaronder taalbarrières en gebrek aan toegang tot de asielprocedure.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De persoonlijke verklaringen van eiser zijn meegewogen, maar niet voldoende om het vermoeden te weerleggen. Ook de Europese inbreukprocedure en het AIDA-rapport leiden niet tot een ander oordeel.

De rechtbank concludeert dat verweerder niet verplicht was de aanvraag zelf te behandelen of individuele garanties te vragen aan Spanje. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16160

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL26.16161, op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen de heer I. Mouhssen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 juli 2025 illegaal het Dublin grondgebied is binnengekomen via Spanje. Omdat eiser minder dan 12 maanden geleden illegaal het Dublin grondgebied is binnengekomen via Spanje heeft Nederland op 9 december 2025 aan Spanje verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 8 januari 2026 aanvaard op die grond.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland met inachtneming van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening het onderhavige verzoek om internationale bescherming in behandeling moet nemen omdat ten aanzien van Spanje niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft niet voldoende toegelicht dat alle in het AIDA-rapport Update 2024 (April 2025) specifiek voor Dublinclaimanten gedocumenteerde tekortkomingen inhoudelijk zijn gewogen en toelaatbaar zijn bevonden. Dit in combinatie met de door de Europese Commissie gestarte inbreukprocedure levert bewijs dat de Spaanse autoriteiten structureel in gebreke blijven ten aanzien van specifieke groepen asielzoekers, zoals Dublinclaimanten met een Soedanees-Arabische taalachtergrond. Verweerder had, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455) alvorens tot overdracht over te gaan, bij de Spaanse autoriteiten individuele garanties moeten bedingen ten aanzien van de toegang van eiser tot de asielprocedure, adequate tolkbijstand en opvang. Verder zijn eisers gedetailleerde verklaringen over zijn ervaringen in Spanje niet kenbaar bij het besluit betrokken. Eiser heeft verklaard dat hij geen toegang heeft gehad tot de asielprocedure, dat hij als kansarm is bestempeld door de Spaanse autoriteiten en vervolgens zonder procedure naar de Franse grens is gestuurd, dat de taalbarrière (Soedanees-Arabisch/Fulani) een concreet, gedocumenteerd obstakel vormt, en hij betrekt tot slot zijn individuele positie als jonge man van 23 jaar zonder netwerk of ondersteuning in Spanje. Tot slot loopt eiser bij overdracht aan Spanje het reële risico op indirect refoulement naar Soedan. Verweerder heeft desondanks enkel volstaan met een standaardreferentie aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en gesuggereerd dat eiser bij problemen een klacht kan indienen bij de Spaanse autoriteiten.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
3.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
3.3.
Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport Update 2024 (april 2025), de door de Europese Commissie gestarte inbreukprocedure tegen Spanje en de situatie van Dublinclaimanten in Spanje. In de hiervoor genoemde uitspraak van 25 november 2025 heeft de Afdeling dit AIDA-rapport betrokken en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Spanje dan de eerdere AIDA-rapporten. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport van april 2025 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Spanje sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt ter zitting dat uit het genoemde AIDA-rapport, anders dan eiser stelt, niet blijkt dat vreemdelingen met een Arabisch dialect toegang tot een tolk ontbreekt en dat de problemen met betrekking tot de gestelde taalbarrière van zodanige ernst is dat dit leidt tot een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Bovendien merkt de rechtbank op dat eiser tijdens het aanmeldgehoor ook niet heeft verklaard over problemen met tolken in Spanje. Daarnaast heeft eiser met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport van april 2025 niet aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Spanje vanwege de opvangsituatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie terecht te komen. Ook het feit dat door de Europese commissie een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart leidt niet tot de conclusie dat niet (meer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze inbreukprocedure is gestart wegens het mogelijk niet volledig omzetten van alle bepalingen van de Opvangrichtlijn. Het is echter niet gebleken welke gebreken in de implementatie van de Opvangrichtlijn aanleiding zijn voor het starten van deze inbreukprocedure. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aan de hand van objectieve landeninformatie concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Spanje vanwege de opvangsituatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie terecht te komen.
3.4.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Spanje heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Deze verklaringen heeft verweerder voldoende kenbaar betrokken in de beoordeling en toegelicht in het besluit (onder het kopje ‘U hebt een reëel risico op een slechte behandeling niet aannemelijk gemaakt’ vanaf pagina 4). Eiser is niet eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Spanje, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Spanje. Indien eiser zich na overdracht aan Spanje, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Spaanse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Spanje onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
3.5.
Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Spanje op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar Soedan, moet Spanje zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.
3.6.
Ten aanzien van de bevoegdheid tot het onverplicht aan zich trekken van de aanvraag door verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717) dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eisers persoonlijke ervaringen zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
3.7.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Spaanse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiser nakomen, en dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij zijn overdracht aan Spanje het tegendeel het geval zal zijn en dat hij om die reden een reëel risico loopt om in Spanje in een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Verweerder heeft terecht gesteld en voldoende toegelicht dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, en heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc aan zich te trekken. Gelet hierop heeft verweerder geen nader onderzoek hoeven verrichten en individuele garanties bij de Spaanse autoriteiten hoeven vragen voor eiser.
3.8.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.