ECLI:NL:RBDHA:2026:16597
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Zweden in Dublinprocedure
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zij op 17 juni 2026 wordt overgedragen aan de Zweedse autoriteiten, zodat zij de behandeling van haar beroep in Nederland kan afwachten. De minister heeft toegelicht dat het gaat om een gefaciliteerd vertrek, een vrijwillige overdracht, en dat bij weigering van medewerking geen gedwongen overdracht zal plaatsvinden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster zelf bepaalt of de overdracht plaatsvindt en dat er geen nadelige consequenties zijn verbonden aan het niet meewerken. De stelling van verzoekster dat weigering kan leiden tot inbewaringstelling is onvoldoende onderbouwd. Ook de verwijzing naar een eerdere uitspraak waarin spoedeisend belang werd aangenomen, is hier niet van toepassing omdat verzoekster opvang geniet.
De voorzieningenrechter besluit daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. De beroepszaak over de verlenging van de overdrachtstermijn zal op korte termijn worden behandeld. Het verzoek wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Zweden wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.