ECLI:NL:RBDHA:2026:16597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31093
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Zweden in Dublinprocedure

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zij op 17 juni 2026 wordt overgedragen aan de Zweedse autoriteiten, zodat zij de behandeling van haar beroep in Nederland kan afwachten. De minister heeft toegelicht dat het gaat om een gefaciliteerd vertrek, een vrijwillige overdracht, en dat bij weigering van medewerking geen gedwongen overdracht zal plaatsvinden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster zelf bepaalt of de overdracht plaatsvindt en dat er geen nadelige consequenties zijn verbonden aan het niet meewerken. De stelling van verzoekster dat weigering kan leiden tot inbewaringstelling is onvoldoende onderbouwd. Ook de verwijzing naar een eerdere uitspraak waarin spoedeisend belang werd aangenomen, is hier niet van toepassing omdat verzoekster opvang geniet.

De voorzieningenrechter besluit daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. De beroepszaak over de verlenging van de overdrachtstermijn zal op korte termijn worden behandeld. Het verzoek wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Zweden wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31093

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 29 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn om verzoekster over te dragen aan Zweden verlengd tot 18 maanden.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn nog niet op een zitting gepland.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om zo snel mogelijk uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op de geplande overdracht aan Zweden op 17 juni 2026.
De minister heeft op 15 juni 2026 een verweerschrift ingediend en verzoekster heeft hierop gereageerd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd
om op een zitting te verschijnen als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet
in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen nog niet zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep. Hij ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak te doen omdat de minister verzoekster op 17 juni 2026 wil overdragen. Partijen worden verder niet in hun belangen geschaad omdat verzoekster de gronden van het verzoek naar voren heeft gebracht en de minister daarop heeft gereageerd. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
2. Verzoekster voert aan dat zij op 17 juni 2026 wordt overgedragen aan de Zweedse autoriteiten en dat hierin het spoedeisend belang van het onderhavige verzoek is gelegen. Verzoekster wil met dit verzoek bereiken dat de geplande overdracht naar Zweden achterwege blijft totdat op het beroep is beslist, zodat verzoekster de behandeling van
het beroep in Nederland kan afwachten.
3. De minister heeft toegelicht dat de geplande overdracht een ‘gefaciliteerd vertrek’ is. Volgens de minister is dat een vorm van een zelfstandig vertrek dat door de Dienst Terugkeer en Vertrek wordt gefaciliteerd. Van een gedwongen overdracht naar Zweden is volgens de minister geen sprake. Daarbij heeft de minister opgemerkt dat als verzoekster aan dit gefaciliteerde vertrek niet meewerkt, zij op dat moment niet alsnog gedwongen zal worden overgedragen aan Zweden. Volgens de minister is daarom geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Verzoekster stelt allereerst dat pas in het verweerschrift van 15 juni 2026 door de minister wordt gesteld dat hier sprake zou zijn van een vrijwillige overdracht. Verzoekster is van mening dat de minister miskent dat aan de weigering om mee te werken aan de overdracht, die naar de mening van verzoekster onrechtmatig is omdat de overdrachtstermijn is verlopen, wel degelijk consequenties zullen worden verbonden. Immers kan dit worden aangemerkt als verzet en zou tot een inbewaringstelling kunnen leiden. Verzoekster heeft er dan ook reeds om die reden belang bij dat het de minister wordt verboden om haar over te dragen zolang niet op het beroep is beslist. Dit verzoek betreft niet alleen de facilitaire, zogenaamde vrijwillige overdracht maar ook iedere gedwongen overdracht. Om te voorkomen dat de weigering van verzoekster om mee te werken aan de overdracht in haar nadeel werkt in de toekomst, heeft zij er recht en belang bij dat reeds nu wordt vastgesteld dat zij niet kan en mag worden overgedragen zolang niet op het beroep is beslist. Ter onderbouwing van de stelling dat wel sprake is van een spoedeisend belang verwijst verzoekster naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 14 augustus 2024 [1] .
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister. Die mededeling houdt in dat als verzoekster niet meewerkt aan de geplande overdracht op 17 juni 2026, dat zij dan op dat moment niet alsnog gedwongen wordt overgedragen aan Zweden. Dit betekent dat verzoekster het geheel zelf in de hand heeft of de overdracht op 17 juni 2026 daadwerkelijk plaatsvindt. Dat het niet meewerken aan de geplande overdracht zou leiden tot nadelige consequenties in de toekomst, is niet gebleken. Om die reden is er nu geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid dat verzoekster, als zij nu niet meewerkt aan de overdracht, op enig moment wél gedwongen kan worden overgedragen, maakt het huidige oordeel over de spoedeisendheid niet anders. In de uitspraak van 14 augustus 2024 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. In die zaak werd een spoedeisend belang aangenomen omdat door het COA geen opvang meer werd verschaft en zag de voorlopige voorziening op het verlenen van opvang gedurende het beroep. Hier is niet gesteld of gebleken dat verzoekster geen opvang meer geniet.
6. De voorzieningenrechter zal bewerkstelligen dat de beroepszaak (over de verlenging van de overdrachtstermijn) op korte termijn op een zitting zal worden behandeld. Partijen krijgen hierover nog nader bericht.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.