ECLI:NL:RBDHA:2026:16603

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en geen contact

Eiser heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, die door de minister is afgewezen. Na eerdere vernietiging van een besluit door de rechtbank, wees de minister de aanvraag opnieuw af en legde een terugkeerbesluit op. Eiser stelde hiertegen beroep in, dat op 18 juni 2026 werd behandeld.

Tijdens de zitting bleek dat eiser sinds 21 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. Ook heeft eiser zich niet opnieuw gemeld voor opvang. De rechtbank stelde vast dat eiser daardoor geen concreet en reëel belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder mededeling vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij contact met de gemachtigde wordt onderhouden. Gezien het ontbreken van contact en meldingen verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees proceskostenvergoeding af. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16658
herstelproces-verbaal van de mondeling uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Ethiopische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 14 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen op 1 april 2025 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 maart 2025 vernietigd. [1]
2. Op 26 februari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
2.2.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

3. De minister heeft de rechtbank op 4 juni 2025 bericht dat eiser op 21 mei 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken.
4. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij sinds het indienen van het beroep op 25 maart 2026 geen contact meer heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft eiser nog wel via de mail eiser op de hoogte gesteld van de uitnodiging van de zitting maar heeft hier geen reactie op gekregen. Ook op de mail die de gemachtigde van eiser gisteren naar eiser heeft gestuurd heeft hij geen reactie gekregen.
5. De gemachtigde van de minister heeft hierop aangegeven dat eiser zich na de mob-melding van 4 juni 2025 niet meer voor opvang heeft gemeld. Ook is aangegeven dat in de uitspraak van 14 juli 2025 wel procesbelang is aangenomen omdat eiser toen nog wel contact had met zijn gemachtigde.
6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog een concreet en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [2]
6.2.
In dit geval heeft eiser zich niet opnieuw gemeld voor opvang, heeft hij de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Herstel van het proces-verbaal

9. De doorgehaalde passages zijn abusievelijk in het oorspronkelijke proces-verbaal opgenomen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.