ECLI:NL:RBDHA:2026:16853
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 13 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Tunesische vreemdeling, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurde voort en de minister stelde de rechtbank op 5 juni 2026 hiervan in kennis, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser.
De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 30 maart 2026 en oordeelde toen dat de maatregel rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. Bij de huidige beoordeling richtte de rechtbank zich daarom op de periode na dat moment. Eiser diende geen beroepsgronden in en reageerde niet op de voortgangsrapportage.
Desondanks voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat er geen onrechtmatigheid was in het voortduren van de bewaring. De rechtbank nam in aanmerking dat er zicht is op uitzetting naar Tunesië, dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat eiser onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van documenten voor een laissez-passer.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer en griffier B.S. Beens op 18 juni 2026 in Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.