ECLI:NL:RBDHA:2026:16858
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.G. Vegter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en het verzoek tot terugname door Kroatië is aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege mishandeling en traumatisering in Kroatië, onderbouwd met het AIDA-rapport update 2024. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in Kroatië die een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU opleveren. De eerdere jurisprudentie en rapporten tonen geen wezenlijke verslechtering.
Verder stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege bijzondere, individuele omstandigheden. De rechtbank stelde dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid om artikel 17 toe Pro te passen in redelijkheid heeft uitgeoefend, mede omdat eiser zijn individuele omstandigheden niet met medische stukken heeft onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.