ECLI:NL:RBDHA:2026:16981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33128
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 50 lid 3 VwArt. 106 lid 1 VwArt. 10:10 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 23 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de maatregel en vorderde tevens een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel rechtmatig is genomen. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal belemmeren. De rechtbank constateert dat de maatregel niet onrechtmatig is, ook niet ondanks een onjuist kruisje in het proces-verbaal van ophouding, omdat dit gebrek niet tot benadeling van eiser heeft geleid. Verder is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de minister geen lichter middel hoefde toe te passen.

De rechtbank heeft ook de medische omstandigheden van eiser betrokken en concludeert dat er geen sprake is van detentieongeschiktheid. De minister handelt voortvarend met zicht op uitzetting, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het aanvragen van een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister veroordeeld in de proceskosten van € 1.868,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33128

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] . Eiser is het niet eens met die maatregel en heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich daar laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet houdt aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onbevoegd is genomen en dat deze daarom onrechtmatig moet worden geacht. Op grond van artikel 10:10 van Pro de Awb [3] dient bij een krachtens mandaat genomen besluit te worden vermeld namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. Uit onderhavige maatregel is hiervan niet gebleken.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring (op pagina 5) wel degelijk staat vermeld dat de bevoegdheid tot het opleggen van onderhavige maatregel is uitgeoefend namens de Minister van Asiel en Migratie. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder betoogt eiser dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, nu is gebleken dat hij rechtmatig verblijf had. Dit is onjuist, omdat eiser namelijk geen rechtmatig verblijf heeft. Verder blijkt uit het pv [4] van ophouding en onderzoek dat eisers identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld, terwijl in de maatregel van bewaring aan eiser is tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is bij de autoriteiten bekend onder de gegevens die ook in het strafrechtelijke traject zijn gehanteerd. Bij de overname en ophouding uit strafrechtelijke detentie was daarom voldoende duidelijk wie eiser was, zodat de ophouding kon geschieden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat in het pv van ophouding en onderzoek een onjuist kruisje is geplaatst en dat daardoor ten onrechte staat vermeld dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Er is dus sprake van een gebrek. Op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb kan de maatregel in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat eiser door het gebrek niet is benadeeld. [5] Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn belangen geschaad door de onjuiste vaststelling dat hij rechtmatig verblijf heeft. Uit de grondslag van de maatregel en de motivering van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, blijkt voldoende duidelijk dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank zal de minister veroordelen in de proceskosten.
Grondslag
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Bij het besluit van 25 juni 2025 is de op 28 mei 2023 ingediende asielaanvraag van eiser afgewezen. Daarnaast is op 18 oktober 2025 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser die hij op grond van artikel 64 van Pro de Vw heeft ingediend. Daarin is ook een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De rechtbank stelt vast dat eiser alleen grond c. heeft betwist. Ten aanzien van de overige gronden ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de grond c. daarom onbesproken.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. Zo is eiser door de minister erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Ook in de psychische gesteldheid van eiser heeft de minister geen aanleiding hoeven te zien om een lichter middel dan bewaring op te leggen. Uit de maatregel blijkt namelijk dat gespecialiseerde zorg aanwezig is in het detentiecentrum en dat eiser in het geval deze zorg onvoldoende kan worden gegeven wordt overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling.
9.1.
Voor zover eiser meent dat hij detentieongeschikt is, oordeelt de rechtbank als volgt. Van detentieongeschiktheid is pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid als is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren. [6] De rechtbank stelt vast dat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat van (een van) die omstandigheden in zijn geval sprake is.
Voortvarendheid
10. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft de minister op 18 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.
Zicht op uitzetting
11. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en met het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het eerdere lp [7] -traject richting Algerije is beëindigd, omdat eisers (gestelde) Algerijnse nationaliteit niet is bevestigd. Op basis van de door eisers familie overgelegde kopiedocumenten heeft de minister op 20 april 2026 een lp-aanvraag verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Marokko niet binnen een redelijke termijn een lp aan eiser zou kunnen verstrekken. Juist op basis van de overgelegde kopiedocumenten is niet uitgesloten dat de Marokkaanse autoriteiten sneller zullen overgaan tot het verlenen van een lp.

Conclusie

12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [8]
12.1.
De rechtbank stelt ten slotte vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [9]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13.1.
Gelet op rechtsoverweging 6.2. is er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Proces-verbaal.
5.Zie de Afdelingsuitspraak van 9 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3714.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.
7.Laissez-passer.
8.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
9.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.