ECLI:NL:RBDHA:2026:17015

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18332
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinbesluit asielaanvraag

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 19 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-onderzoek bleek dat hij eerder op 4 mei 2025 een verzoek om internationale bescherming in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening, welke Kroatië op 25 maart 2026 aanvaardde. Verweerder nam de asielaanvraag van eiser niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde dat hij bescherming zocht in Nederland, maar de rechtbank moest eerst beoordelen of hij procesbelang had bij het beroep. De rechtbank stelde vast dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde over terugkeer naar Nederland. De gemachtigde gaf aan dat eiser niet wenst terug te keren. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en deed geen inhoudelijke beoordeling van het besluit. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Hello op 4 juni 2026 te Rotterdam.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18332

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Hij heeft op 19 februari 2026 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 mei 2025 een verzoek om internationale bescherming in Kroatië heeft ingediend. Nederland heeft op 11 maart 2026 Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
4. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak dient de rechtbank na te gaan of eiser procesbelang bij zijn beroep heeft.
5. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden genomen. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Aan gemachtigde van eiser is op 20 mei 2026 een bericht verstuurd waarin is gevraagd of gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser en weet waar hij verblijft. In reactie op dit bericht heeft op 20 mei 2026 de gemachtigde van eiser aangegeven wel contact te hebben met eiser, maar dat hij zich niet meer in Nederland bevindt en niet wenst terug te keren naar Nederland.
7. De rechtbank stelt vast dat, hoewel de gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser, hij in het buitenland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat eiser een goede reden heeft voor het verblijf in het buitenland. De rechtbank begrijpt dat eiser vrijwillig is vertrokken en hij heeft gelet hierop niet specifiek toegelicht wat zijn belang nog is bij deze procedure. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland, temeer nu de gemachtigde aangeeft dat eiser niet naar Nederland wenst terug te keren. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 31 maart 2026. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

8. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.