Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17032

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.59744 (beroep) en NL25.59745 (voorlopige voorziening)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 31, zesde lid, VwArt. 3.6ba Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 3 EVRMArtikel 7 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en herkomst, beroep ongegrond

Eiseres, afkomstig uit Somalië, diende op 22 november 2022 een asielaanvraag in die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 28 november 2025 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep en de voorlopige voorziening op 29 mei 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde afwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de toepassing van Werkinstructie 2024/6 bij de geloofwaardigheidsbeoordeling niet in strijd is met Europese regelgeving. De identiteit en herkomst van eiseres zijn op basis van een taalanalyse en inconsistenties in haar verklaringen terecht als ongeloofwaardig beoordeeld. Ook de beweringen over mishandeling en verkrachting door haar stiefvader worden niet geloofd vanwege tegenstrijdigheden en summiere toelichting.

De rechtbank volgt het standpunt dat het feit dat eiseres uit Somalië komt niet leidt tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Verweerder hoefde geen reguliere verblijfsvergunning te verlenen, noch uitstel van vertrek op medische gronden te geven. De belangen van het minderjarige kind zijn voldoende meegewogen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.59744 (beroep) en NL25.59745 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kind,
[minderjarige zoon] ,
V-nummer [v-nummer 2] ,
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. F. Gieskes).

Samenvatting

1. De rechtbank heeft de zaak van [eiseres] en haar minderjarige zoon op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiseres] . De rechtbank zal haar hierna eiseres noemen.
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen. De rechtbank zal de IND hierna verweerder noemen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing voldoet aan de regels van de wet. Daarbij heeft zij allereerst geoordeeld dat het toepassen van de Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) bij het beoordelen van de geloofwaardigheid niet in strijd is met Europese regels. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder de identiteit en de herkomst van eiseres en de problemen met haar stiefvader terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. Verder volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat eiseres uit Somalië komt, niet leidt tot Vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning aan eiseres hoefde te verlenen. Ook heeft hij geen uitstel van vertrek op medische gronden aan eiseres hoeven verlenen. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind en heeft tot slot een terugkeerbesluit op kunnen leggen. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet wordt uitgezet naar Somalië voordat op het beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Somalische nationaliteit te hebben. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is uit Somalië vertrokken vanwege problemen met haar stiefvader, [naam] . Zij heeft verklaard dat hij haar heeft verkracht en bedreigd. Bij een tweede verkrachting heeft eiseres zich verzet, waardoor haar stiefvader haar met een stok op haar hoofd sloeg. Eiseres is toen gevlucht met hulp van haar buurvrouw. Ze is bang dat als ze terugkeert naar Somalië, haar stiefvader haar zal doden.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste
lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) als kennelijk ongegrond afgewezen en aan haar een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het inreisverbod geldt niet voor haar minderjarige zoon. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende relevante asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met stiefvader.
4.1.
Verweerder vindt de nationaliteit van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit en herkomst niet. Eiseres heeft geen objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen. De verklaringen van eiseres zelf kunnen het asielmotief ook niet onderbouwen, want haar verklaringen hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Uit de taalanalyse volgt namelijk dat eiseres niet, zoals zij stelt, uit Zuid-Somalië komt, maar uit Noord-Somalië. Het Somalisch van eiseres komt namelijk in zijn geheel overeen met het Somalisch zoals dat gangbaar in Noord-Somalië. Verweerder werpt verder tegen dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar etniciteit en summier en ontwijkend over haar geboorteplaats. Daarnaast heeft ze wisselend verklaard over haar vaders (achter)naam. Verweerder vindt de problemen van eiseres met haar stiefvader evenmin geloofwaardig. Omdat verweerder de herkomst van eiseres niet geloofwaardig vindt, vindt hij ook de verklaring over waar de mishandeling en verkrachting door haar stiefvader heeft plaatsgevonden ongeloofwaardig. Verweerder werpt verder tegen dat eiseres wisselend heeft verklaard over het jaartal van vertrek uit Somalië, en wisselend, summier en tegenstrijdig heeft verklaard over haar uitreis.
4.2.
Het enige geloofwaardig geachte asielmotief, de nationaliteit van eiseres, leidt volgens verweerder niet tot Vluchtelingschap en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.
Wat voert eiseres aan?
5. Eiseres voert – kortgezegd – aan dat WI 2024/6 in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [1] . Verder voert zij aan dat verweerder de identiteit en herkomst van eiseres ten onrechte geloofwaardig heeft geacht. Zij betwist alle tegenwerpingen van verweerder hierover. Ook stelt eiseres dat verweerder ten onrechte de problemen met haar stiefvader niet heeft geloofd. Zij betwist ook alle tegenwerpingen van verweerder hierover. Verder voert eiseres aan dat zij bij terugkeer naar Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft volgens eiseres haar aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond en ten onrechte geen verblijf op reguliere gronden aan eiseres verleend. Tot slot voert eiseres nog aan dat verweerder uitstel van vertrek op medische gronden had moeten verlenen, dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind en dat verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen.
Strijd met de goede procesorde?
6. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres op donderdag 28 mei 2026, één dag voor de zitting, laat in de avond, een aangepaste versie van zijn beroepsgronden van 20 januari 2026, een brief van Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling (IOG) en een afspraakbevestiging van een afspraak bij de praktijkondersteuner van de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) heeft overgelegd.
6.1.
De rechtbank moet allereerst beoordelen of deze stukken nog tijdig zijn ingediend.
6.2.
De rechtbank overweegt dat in een zaak als deze in beroep nog nadere gegevens of nieuwe stukken kunnen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Strijd met de goede procesorde doet zich voor als die nadere gegevens of nieuwe stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.
6.3.
De rechtbank zal de aangepaste versie van de beroepsgronden niet meenemen bij haar beoordeling vanwege strijd met goede procesorde. De rechtbank betrekt daarbij dat door het tijdstip van de indiening (de avond voor de zitting) de gemachtigde van verweerder de aangepaste gronden niet heeft kunnen bestuderen. Daarbij heeft de gemachtigde van eiseres in de gronden nergens aangegeven wat er is gewijzigd ten opzichte van de vorige versie en heeft de gemachtigde van eiseres ook niet uitgelegd waarom hij deze aangepaste versie pas zo laat heeft ingeleverd en waarom hij dat niet eerder had kunnen doen.
6.4.
De andere overgelegde stukken zijn een onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Hoewel verweerder vanwege het tijdstip van indiening ook geen mogelijkheid heeft gehad om de stukken te bestuderen, zijn de stukken ter zitting met verweerder besproken en worden deze daarom bij de beoordeling betrokken.
Is WI 2024/6 in strijd met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn?
7. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de wijze van beoordeling die volgt uit WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht of onredelijk is. De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025. [2] Voor zover eiseres betoogt dat door alleen artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw tegen te werpen dit artikel ten onrechte als ‘checklist’ wordt gehanteerd, volgt de rechtbank dit niet. In de praktijk en ook in deze zaak past verweerder WI 2024/6 zo toe dat artikel 31, zesde lid, van de Vw, geen checklist met cumulatieve voorwaarden is, maar dat hij alle omstandigheden in samenhang beoordeelt om tot een conclusie over de geloofwaardigheid van het relaas te komen. [3]
De toets door de rechtbank
8. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quatal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.
Heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig is?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit en de herkomst van eiseres ongeloofwaardig zijn. Zij zal hieronder aan de hand van de punten in de gronden uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
Taalanalyse
9.1.
De rechtbank wijst er allereerst op dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de taalanalyse van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), een deskundigenadvies is, waarvan verweerder in beginsel uit mag gaan. Verweerder moet daarbij wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de redenering daarin begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. [4] Als een partij concrete aanknopingspunten naar voren brengt voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, mag verweerder niet zonder nadere motivering op dat advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [5]
9.2.
De rechtbank heeft in de gronden van eiseres veel verschillende argumenten gelezen waarom er volgens haar getwijfeld moet worden aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming, redenering en conclusies van dit deskundigenadvies. De argumenten komen er goed beschouwd op neer dat er een plausibele verklaring is voor haar Noord-Somalisch taalgebruik, namelijk dat haar moeder thuis Noord-Somalisch sprak. Doordat eiseres ongeschoold is en veel thuis was heeft zij het taalgebruik van haar moeder overgenomen. De rechtbank kan dit standpunt van eiseres niet volgen. Immers, voor zover eiseres stelt dat bij de Ogaden-clan, waartoe haar moeder behoort, het Noord-Somalisch taalgebruik historisch dominant is, is dat op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting dit standpunt van eiseres ook onderbouwd bestreden. Ook de andere argumenten van eiseres zijn niet onderbouwd en betreffen enkel stellingen. Eiseres heeft geen andere concrete aanknopingspunten voor twijfel aan dit deskundigenadvies naar voren gebracht en ook geen contra-expertise overgelegd. Verweerder is daarom terecht van het deskundigenadvies uitgegaan.
Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
9.3.
Voor zover eiseres stelt dat ten onrechte doorslaggevend gewicht is toegekend aan de taalanalyse bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wijst de rechtbank erop dat verweerder ook heeft geoordeeld dat de verklaringen van eiseres over haar etniciteit wisselend zijn, ze summier en ontwijkend over haar geboorteplaats heeft verklaard, en wisselend over haar vaders (achter)naam heeft verklaard. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze tegenwerpingen in onderlinge verband en samenhang met de uitkomst van de taalanalyse hebben geleid tot het standpunt dat de identiteit en de herkomst van eiseres niet geloofwaardig zijn. De rechtbank volgt deze tegenwerpingen en deze toelichting van verweerder.
Heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiseres met haar stiefvader ongeloofwaardig zijn?
10. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiseres stelt heeft verweerder de problemen van eiseres met haar stiefvader niet enkel ongeloofwaardig gevonden omdat hij de identiteit en de herkomst van eiseres ongeloofwaardig vindt. Verweerder heeft zich in dit verband namelijk ook op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over het jaartal van vertrek uit Somalië, en wisselend, summier en tegenstrijdig heeft verklaard over haar uitreis. Verweerder heeft ten aanzien van dit laatst genoemde standpunt bijvoorbeeld meer specifiek tegengeworpen dat eiseres summier heeft verklaard over de voorbereiding voor haar reis uit Somalië en tegenstrijdig heeft verklaard over waarom haar buurvrouw met haar mee kon reizen tot aan Libië. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eiseres summier heeft verklaard over de reis zelf. Verweerder benoemt daarbij dat eiseres bijvoorbeeld nauwelijks informatie kan geven over wat eiseres zag op reis en wat zij tegenkwam, terwijl zij zelf in het gehoor verklaarde dat ze altijd binnen bleef en de reis dus juist veel indruk op haar gemaakt moest hebben. De rechtbank volgt deze motivering. Op grond van alle tegenwerpingen in samenhang bezien heeft verweerder zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiseres met haar stiefvader ongeloofwaardig zijn.
Heeft eiseres een gegronde vrees voor vervolging of loopt zij een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië?
11. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat verweerder de identiteit en de herkomst van eiseres en de problemen met haar stiefvader terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. Dit betekent dat verweerder alleen gehouden was om de nationaliteit van eiseres te toetsen op zwaarwegendheid. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, dat de omstandigheid dat eiseres uit Somalië komt, niet leidt tot Vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
Heeft verweerder de aanvraag van eiseres terecht afgewezen als kennelijk ongegrond?
12. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vw, staat dat een asielaanvraag afgewezen kan worden als kennelijk ongegrond als ‘de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.’ In paragraaf C2/7.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat er in elk geval sprake is van misleiding als een taalanalyse uitwijst dat de vreemdeling niet vandaan komt waar hij stelt vandaan te komen. Nu de rechtbank onder 8.2. al heeft geoordeeld dat verweerder terecht is uitgegaan van de taalanalyse, heeft hij ook terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van misleiding en dat hij de aanvraag daarom heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat hij niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning aan eiseres hoefde te verlenen?
13. De rechtbank begrijpt de gronden van eiseres zo dat zij vindt dat vanwege meerdere schrijnende omstandigheden aan haar een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend. Zij noemt als omstandigheden haar persoonlijke en traumatische situatie, de kwetsbaarheid van haar zoon, haar status als alleenstaande moeder en het behoren tot een risicogroep en het serieuze risico op schending van artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag en artikel 7 van Pro het IVBPR [6] .
13.1.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 vormt een vangnetbepaling die verweerder de mogelijkheid biedt om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen indien er sprake is van schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandige omstandigheden heeft hoeven zien waardoor sprake is van een dermate schrijnende situatie dat er een reguliere vergunning verleend zou moeten worden. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat een aantal omstandigheden die eiseres aanvoert, namelijk haar status als alleenstaande moeder, het behoren tot een risicogroep en het risico op ernstige schade, omstandigheden zijn die in de asielprocedure worden beoordeeld. Verweerder heeft ze daarom niet hoeven te betrekken als bijzondere omstandigheden. Verder heeft eiseres niet nader onderbouwd dat er bij haar sprake is van trauma. De afspraakbevestiging van een afspraak bij de praktijkondersteuner van de GGZ is daartoe onvoldoende. Daar blijkt namelijk niet uit dat eiseres klachten ervaart die te maken hebben met opgelopen trauma. Ten aanzien van de kwetsbaarheid van de zoon van eiseres overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde informatie weliswaar blijkt dat er sprake is van gedragsproblematiek bij haar zoon, maar de rechtbank is van oordeel dat niet uit het stuk volgt dat deze problematiek dusdanig ernstig is dat verweerder dit zou moeten zien als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat er sprake is van een schrijnende situatie. Verweerder was dan ook niet gehouden eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.
Had verweerder uitstel van vertrek aan eiseres moeten verlenen?
14. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen uitstel van vertrek op medische gronden aan eiseres hoeft te worden verleend. De afspraakbevestiging van een afspraak bij de praktijkondersteuner van de GGZ geeft namelijk geen onderbouwing van enige medische klachten. De rechtbank volgt dit standpunt.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind?
15. Ter zitting en in het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt is dat het in het belang van het kind is om bij zijn ouder(s) te verblijven. Verweerder heeft er ook op gewezen dat eiseres en haar zoon niet van elkaar gescheiden worden als eiseres terug moet keren naar Somalië. Hoewel uit het overgelegde stuk van IOG volgens verweerder wel blijkt van gedragsproblematiek bij de zoon van eiseres, staat er niet iets in over dat het daardoor in zijn belang is om in Nederland te verblijven. Daarom heeft verweerder met zijn reeds ingenomen standpunt voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind. De rechtbank kan deze motivering volgen. De rechtbank wijst er in dat verband nog op dat eiseres ook niet heeft toegelicht waarom volgens haar uit dit stuk blijkt dat het in belang van haar zoon is om in Nederland te verblijven.
Heeft verweerder een terugkeerbesluit op kunnen leggen?
16. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder daarom ook een terugkeerbesluit aan eiseres op kunnen leggen.
Conclusie en gevolgen
17. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
18. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.
19. Eiseres krijgt in beide zaken geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dat gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/95/EU.
3.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, onder 4.5.
4.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197.
5.Volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2566, r.o. 4.1.
6.Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.