ECLI:NL:RBDHA:2026:17043
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden ongegrond verklaard
De opposant, een Iraakse asielzoeker, had een verblijfsvergunning asiel aangevraagd in Nederland, maar de minister weigerde deze in behandeling te nemen omdat Zweden verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De opposant stelde beroep in tegen deze beslissing, dat op 8 januari 2026 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij verzet in tegen deze uitspraak.
De rechtbank Den Haag behandelde het verzet en oordeelde dat het verzet ongegrond is omdat het beroep terecht zonder zitting was behandeld en het oordeel buiten redelijke twijfel stond. De rechtbank nam het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden als uitgangspunt en vond dat de door opposant aangevoerde tekortkomingen in Zweden onvoldoende waren onderbouwd om hiervan af te wijken.
De rechtbank overwoog dat de belangenafweging op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening deugdelijk was gemotiveerd en dat er geen sprake was van een risico op indirect refoulement. Ook het feit dat opposant niet op zitting was gehoord, deed niet af aan het oordeel dat het beroep ongegrond was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.