ECLI:NL:RBDHA:2026:17043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.55349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 DublinverordeningAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden ongegrond verklaard

De opposant, een Iraakse asielzoeker, had een verblijfsvergunning asiel aangevraagd in Nederland, maar de minister weigerde deze in behandeling te nemen omdat Zweden verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De opposant stelde beroep in tegen deze beslissing, dat op 8 januari 2026 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij verzet in tegen deze uitspraak.

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet en oordeelde dat het verzet ongegrond is omdat het beroep terecht zonder zitting was behandeld en het oordeel buiten redelijke twijfel stond. De rechtbank nam het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden als uitgangspunt en vond dat de door opposant aangevoerde tekortkomingen in Zweden onvoldoende waren onderbouwd om hiervan af te wijken.

De rechtbank overwoog dat de belangenafweging op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening deugdelijk was gemotiveerd en dat er geen sprake was van een risico op indirect refoulement. Ook het feit dat opposant niet op zitting was gehoord, deed niet af aan het oordeel dat het beroep ongegrond was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Zweden is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55349 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposant [1] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: B.H. Wezeman).

Inleiding

1. De minister heeft de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 10 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.
1.1.
Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is door deze rechtbank en deze zittingsplaats bij uitspraak van 8 januari 2026 – met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] - ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 8 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 8 januari 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht, omdat ten aanzien van Zweden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stellingen van opposant dat er in Zweden sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de procedure en opvang, dat asielzoekers in de praktijk beperkte toegang krijgen tot de gezondheidszorg en dat eiser bij terugkeer in Zweden kans loopt om in detentie te worden geplaatst, onvoldoende zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat Zweden zijn verdragsverplichtingen nakomt. Daarnaast heeft de minister volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat de overdracht niet van onevenredige hardheid getuigt en dat de omstandigheden die opposant aanvoert geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Tot slot heeft de rechtbank niet onderzocht of er bij overdracht aan Zweden een risico is op indirect refoulement, omdat ten aanzien van Zweden nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Procesbelang
5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Eiser is op 17 februari 2026 overgedragen aan Zweden. De gemachtigde van opposant heeft aangegeven nog contact met hem te hebben. Nu de gemachtigde van opposant weet waar eiser verblijft en hij met eiser contact heeft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader gemaakt moeten worden, oordeelt de rechtbank dat er vanuit gegaan moet worden dat de behandeling van het beroep voor eiser van feitelijke betekenis is. Er bestaat derhalve procesbelang. [4] Dat eiser niet meer in Nederland verblijft, maakt dit niet anders.
Het verzet
6. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat niet buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is.
7. De rechtbank overweegt dat de Afdeling heeft geoordeeld dat de beoordeling in de verzetprocedure zich beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen, omdat het oordeel buiten redelijke twijfel was. [5] Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient ook te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat omtrent de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden.
8. Opposant stelt allereerst dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of hij al dan niet een zitting wilde, terwijl niet buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is. De rechtbank heeft volgens hem nagelaten te beoordelen of de meest recente landeninformatie, waaronder het actuele AIDA-rapport [6] aanleiding geeft tot een hernieuwde toetsing.
9. Verder voert opposant aan dat de belangenafweging als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet deugdelijk kan plaatsvinden zonder het horen van opposant, inzicht in zijn medische situatie, de beoordeling van zijn sociale en familiare banden (opposant heeft een broer in Nederland) en kennisneming van zijn feitelijke positie bij terugkeer naar Zweden.
10. Tot slot voert opposant aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of er een risico is op indirect refoulement bij terugkeer naar Zweden. Hoewel de rechtbank heeft verwezen naar een arrest van het Hof [7] van 30 november 2023 en een uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, geldt volgens opposant dat het risico op indirect refoulement niet los kan worden gezien van de feitelijke toegang tot de procedure, opvang en rechtsbijstand in de verantwoordelijke lidstaat.
11. De rechtbank volgt opposant niet in de stelling dat hij uitgenodigd had moeten worden om op zitting te worden gehoord. Hoewel de rechtbank begrijpt dat opposant zijn verhaal op zitting wil doen, doet dit niet af aan haar oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het beroep van opposant ongegrond is. In de uitspraak van 8 januari 2026 zijn namelijk zijn beroepsgronden besproken. Er staan in de uitspraak overwegingen ten aanzien van Zweden, waarbij de kern van de uitspraak is dat opposant zijn stellingen niet of onvoldoende heeft onderbouwd en dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van Zweden nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en waarom hij de asielaanvraag van opposant niet aan zich heeft getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
12. De in verzet aangevoerde argumenten dat opposant bij overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar in haar uitspraak van 8 januari 2026 reeds op ingegaan en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [8] . De gestelde medische problemen van eiser geven ook geen aanleiding voor twijfel. Deze klachten zijn in het geheel niet nader toegelicht of onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

13. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 8 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
5.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.
6.AIDA Country Report: Sweden 2024, update mei 2025.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.