Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.21011
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende belangenafweging

Eiseres verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar moeder in Nederland te verblijven. De minister wees dit verzoek af na een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij werd meegewogen dat eiseres door haar moeder in Iran was achtergelaten en dat er geen objectieve belemmering zou zijn om het familie- en gezinsleven in Iran uit te oefenen.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij deze belangenafweging. Zo is onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de moeder Iran verliet, de actuele veiligheidssituatie in Iran en de persoonlijke situatie van eiseres en haar moeder, waaronder psychische klachten.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij een volledige en zorgvuldige belangenafweging moet worden gemaakt. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21011

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar moeder [naam moeder] (referente) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. De minister heeft namelijk niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken bij het standpunt dat in het nadeel van eiseres weegt dat referente haar in Iran heeft achtergelaten. Ook heeft de minister de actuele veiligheidssituatie onvoldoende betrokken bij het standpunt dat geen objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven in Iran uit te oefenen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 21 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft het bestreden besluit op 13 oktober 2025 van een aanvullende motivering voorzien. Eiseres heeft op 15 februari 2026 op deze aanvullende motivering gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Referente is de moeder van eiseres. Referente is uitgehuwelijkt toen zij zestien jaar oud was, en uit dit huwelijk is eiseres geboren. Referente is er op enig moment achter gekomen dat haar partner hun dochter seksueel misbruikte. Referente is hierna van haar man gescheiden, waarna verschillende bedreigingen door hem volgden. Referente en eiseres hebben hierdoor herhaaldelijk moeten verhuizen en zijn uiteindelijk bij de ouders van referente gaan wonen. In 2017 leerde referente een nieuwe partner kennen (die in Nederland woonde), en in 2020 is zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij deze partner. Zij is toen naar Nederland verhuisd, en eiseres is in Iran achtergebleven. De relatie tussen referente en deze partner is inmiddels beëindigd.
3.1.
Tussen eiseres en referente bestaat volgens de minister wel familie- en gezinsleven, omdat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Maar dat betekent niet dat eiseres in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. De minister moet het belang van eiseres om dit familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen afwegen tegen het belang van de Nederlandse overheid, en deze belangenafweging valt uit in het nadeel van eiseres. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.
Aanvullende stukken na sluiten onderzoek
4. Referente heeft op 21 mei 2026, dus na het sluiten van het onderzoek op zitting, uit eigen beweging nog enkele stukken aan de rechtbank gestuurd met het verzoek deze bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Omdat deze stukken naar het oordeel van de rechtbank slechts een nadere onderbouwing zijn van wat al eerder in beroep is gesteld, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en de minister hierover om een standpunt te vragen. De rechtbank zal deze stukken daarom ter kennisgeving aannemen en toevoegen aan het dossier.
Mocht de minister de belangenafweging het nadeel van eiseres laten uitvallen?
5. Eiseres betoogt dat de minister de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Eiseres voert allereerst aan dat de minister niet in haar nadeel mocht wegen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid voert en dat referente weinig banden met Nederland heeft, en dat de minister het economisch belang onjuist en te zwaar in haar nadeel heeft meegewogen. Verder betoogt eiseres dat de minister ten onrechte waarde hecht aan het feit dat zij door referente in Iran zou zijn achtergelaten en dat de minister ten onrechte aanneemt dat er in Iran geen objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven uit te oefenen. Tot voert eiseres aan dat de minister de persoonlijke situatie van haar en referente onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.
5.1.
Het betoog van eiseres slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. De rechtbank kan de minister volgen in zijn standpunt dat in het nadeel van eiseres weegt dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid voert en dat referente weinig banden met Nederland heeft. Verder vindt de rechtbank niet dat de minister het economisch belang onjuist en te zwaar in het nadeel van eiseres heeft gewogen. Maar de rechtbank is wel van oordeel dat de minister bij zijn standpunt dat in het nadeel van eiseres weegt dat zij door referente in Iran is achtergelaten niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, en dat de minister bij zijn standpunt dat in Iran geen sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven uit te oefenen onvoldoende rekening heeft gehouden met de actuele veiligheidssituatie. In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat de minister de persoonlijke situatie van eiseres en referente niet volledig in de belangenafweging heeft betrokken. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal dit oordeel hierna per onderdeel en aan de hand van de beroepsgronden van eiseres toelichten.
Restrictief toelatingsbeleid
6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte in haar nadeel heeft gewogen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid voert. Een restrictief toelatingsbeleid is volgens eiseres het uitgangspunt van de belangenafweging en kan daarom geen apart te wegen belang zijn. [1]
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht in het nadeel van eiseres wegen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid voert. Eiseres wijst er op zichzelf genomen terecht op dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid in beginsel een algemeen uitgangspunt in de belangenafweging is. [2] Maar uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister hier in de belangenafweging ook gewicht aan mag toekennen. [3] Het restrictief toelatingsbeleid kan daarom, anders dan eiseres stelt, ook een apart te wegen belang in de belangenafweging zijn.
Banden met Nederland
7. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat referente weinig banden met Nederland heeft. Referente spreekt goed Nederlands, maar het is niet haar moedertaal en daarom raadt haar gemachtigde haar aan in het contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een tolk in te schakelen. Verder woont referente al vijf jaar in Nederland en heeft zij – totdat zij ziek thuis is komen te zitten (mede vanwege de scheiding van haar dochter) – altijd gewerkt om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat zij nu niet werkt, is daarom niet aan referente te wijten.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht in het nadeel van eiseres wegen dat referente weinig banden met Nederland heeft en dat de banden van referente met Iran sterker zijn dan die met Nederland. Referente is tot Nederlander genaturaliseerd en op zitting is gebleken dat zij zich ook zonder tolk in het Nederlands kan uitdrukken. In zoverre heeft zij dus enige banden met Nederland. De minister wijst er echter terecht op dat hier tegenover staat dat de relatie waarvoor referente in 2020 naar Nederland kwam inmiddels voorbij is, dat referente momenteel niet werkt en dat zij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt. Dat referente vóórdat zij ziek werd wel heeft gewerkt, kan daar niet aan afdoen. Dat is weliswaar juist, maar uit het dossier volgt dat eiseres veelal voor (zeer) korte periodes bij verschillende werkgevers heeft gewerkt. Daarom had de minister in het kader van de banden van referente met Nederland aan dit werkverleden niet de waarde hoeven hechten die eiseres daaraan gehecht wenst te zien.
Economisch belang
8. Eiseres betoogt dat de minister het economisch belang onjuist en daarom te zwaar in de belangenafweging heeft betrokken. Het economisch belang is één van de belangen van de Nederlandse overheid, maar de minister lijkt dat belang in de belangenafweging in meerdere opzichten in het nadeel van eiseres te hebben gewogen. De minister heeft immers apart aan eiseres tegengeworpen dat referente een uitkering heeft en dat eiseres waarschijnlijk een beroep zal doen op de zorg in Nederland. Dat had de minister slechts één keer mogen tegenwerpen. [4]
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft het economisch belang niet onjuist en daarom niet te zwaar in het nadeel van eiseres in de belangenafweging betrokken. De minister heeft twee aspecten van het economisch belang in het nadeel van eiseres meegewogen: dat referente sinds maart 2025 een uitkering ontvangt (en dus niet zelf in het levensonderhoud van eiseres zou kunnen voorzien) en dat eiseres – als zij in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning – toegang krijgt tot alle voorzieningen die worden betaald uit algemene middelen en hier vanwege haar medische situatie naar verwachting een beroep op zal doen. Daarom weegt het economisch belang als geheel in het nadeel van eiseres. Uit rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat de minister deze verschillende aspecten van het economisch belang afzonderlijk mag wegen in de belangenafweging, [5] zodat de wijze waarop de minister het economisch belang in de belangenafweging heeft betrokken niet onjuist is.
Referente heeft eiseres in Iran achtergelaten
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte in haar nadeel heeft gewogen dat referente haar in Iran heeft achtergelaten. De minister heeft daarmee namelijk niet onderkend onder welke omstandigheden dat is gebeurd. Referente kreeg op enig moment een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar ex-partner in Nederland. Zij dacht dat ze zich op dat moment in een nu-of-nooit-situatie bevond en meteen naar Nederland moest vertrekken, omdat zij anders haar verblijfsvergunning weer zou verliezen. De ex-partner van referente heeft haar toen voorgehouden dat eiseres meteen naar Nederland kon komen als zij een paspoort zou hebben op 18-jarige leeftijd. Daarom heeft referente een korte scheiding van (naar verwachting) twee maanden op de koop toegenomen, in de stellige overtuiging dat eiseres snel had kunnen nareizen. Een snelle nareis van eiseres is altijd de bedoeling geweest. [6] Dat een nareisaanvraag uiteindelijk langer op zich heeft laten wachten, kan eiseres niet worden verweten. Eenmaal in Nederland bleek de relatie tussen referente en haar ex-partner namelijk niet gelijkwaardig en problematisch. Referente vertrouwde er volledig op dat haar ex-partner de beloofde procedure voor de overkomst van eiseres in gang had gezet, maar dat bleek in werkelijkheid niet zo te zijn. [7] Referente wist dat niet en had dat ook niet kunnen vermoeden, was niet op de hoogte van de Nederlandse samenleving of toelatingsregels en sprak de taal niet. Als eiseres dat wel had geweten, dan had zij zelf de aanvraag sneller gedaan. Daarbij is niet van belang dat referente in de tussentijd naar Iran is gereisd om eiseres te bezoeken, omdat daaruit niet volgt dat zij op de hoogte is geraakt van de leugens van haar ex-partner of welke aanvraag zij in Nederland moet doen. Tot slot heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom in het nadeel van eiseres weegt dat referente haar verblijf in Nederland heeft geformaliseerd vóórdat duidelijkheid bestond over het verblijf van eiseres, en waarom dat in dit verband van belang is.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat zwaar in het nadeel van eiseres weegt dat referente haar (vrijwillig) in Iran achterliet voor een verblijf bij een partner in Nederland en dat referente haar verblijf in Nederland intensiveerde zonder dat zij zicht had op toelating van eiseres in Nederland. Het is aannemelijk dat referente en eiseres samen een hechte band hebben als gevolg van wat zij met hun ex-partner/vader hebben meegemaakt. Deze hechte band heeft referente er echter niet van weerhouden om Iran tot twee keer toe te verlaten en eiseres daar achter te laten. De eerste keer was na het verkrijgen van de verblijfsvergunning bij haar ex-partner. Daarnaast is referente in 2022 naar Iran gereisd, en heeft zij eiseres na dat bezoek in Iran opnieuw achtergelaten. Het ligt niet voor de hand dat referente op deze momenten uit Iran was vertrokken als zij twijfels had gehad over het welzijn van eiseres in Iran – ook niet als referente in de veronderstelling verkeerde dat eiseres slechts voor korte tijd in Iran zou achterblijven. Zodoende valt ook niet in te zien waarom gevoelsmatig sprake was van de gestelde nu-of-nooit-situatie. Verder valt volgens de minister niet in te zien waarom referente tot augustus 2023 heeft gewacht met het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning voor eiseres. Referente heeft verklaard dat haar ex-partner zou hebben verteld dat pas een aanvraag voor eiseres kon worden gedaan als zij meerderjarig zou zijn, maar eiseres was in augustus 2023 al 20 jaar oud. Daar komt nog bij dat het te begrijpen is dat referente geen kennis heeft van de Nederlandse verblijfprocedures, maar dat zij op meerdere momenten na haar aankomst in Nederland met de Nederlandse autoriteiten in contact is gekomen en dus op meerdere momenten had kunnen informeren naar de verblijfsmogelijkheden van eiseres, en dat referente al in 2022 bezig was om documenten voor de aanvraag te regelen bij de Iraanse autoriteiten.
9.2.
Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister op zichzelf genomen in de belangenafweging mocht meewegen dat referente Iran in 2020 vrijwillig (en zonder eiseres) heeft verlaten en dat het daarna lange tijd heeft geduurd voordat een aanvraag om een verblijfsvergunning voor eiseres werd ingediend, maar dat de minister daar niet alle relevante feiten en omstandigheden in heeft betrokken. De belangenafweging is daarom op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal dit oordeel hierna nader uitleggen.
9.2.1.
De rechtbank kan de minister allereerst in de kern volgen in zijn standpunt dat het opmerkelijk is dat referente Iran heeft verlaten en eiseres daar heeft achtergelaten. Uit het dossier volgt dat referente in 2020 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar toenmalige partner, en dat zij vlak daarna uit Iran is vertrokken. Hoewel de rechtbank op zichzelf geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring van referente dat het van meet af aan haar bedoeling is geweest om eiseres snel daarna te laten ‘nareizen’, werpt de minister niet ten onrechte tegen dat de handelswijze van referente na aankomst in Nederland niet bij die bedoeling lijkt aan te sluiten. Referente is immers uit Iran vertrokken zonder dat zij concreet zicht had op afgifte van een verblijfsvergunning aan eiseres. Eiseres en referente hebben, vanwege hun gezamenlijke achtergrond met hun vader/ex-partner, een dermate sterke band dat dit heeft geleid tot het aannemen van bijzondere elementen van afhankelijkheid. De minister wijst er niet ten onrechte op dat, gegeven die achtergrond, niet valt in te zien waarom referente uit Iran vertrekt (met de intentie om eiseres daarna over te laten komen naar Nederland), terwijl zij daar niet van tevoren een voorziening voor treft. Referente heeft hierover echter verklaard dat zij – nadat zij een Nederlandse partner kreeg en in het bezit werd gesteld van een verblijfsvergunning – heeft besloten naar Nederland te reizen, omdat zij bang was voor haar ex-partner (die haar vanwege haar aangifte voor het seksueel misbruik van eiseres al eens had bedreigd) en omdat de ambassade vanwege het herinvoeren van maatregelen tegen het coronavirus dicht ging. [8] Daarom is het, anders dan de minister heeft gesteld, niet onvoorstelbaar dat referente zich in de gestelde nu-of-nooit-situatie bevond. De minister heeft dat niet onderkend en deze verklaring van referente onvoldoende in de belangenafweging laten meewegen.
9.2.2.
Verder kan de rechtbank de minister ook in de kern volgen in zijn standpunt dat het opmerkelijk is dat het nog tot augustus 2023 heeft geduurd voordat onderhavige aanvraag werd ingediend. Dat is bijna drie jaar na de aankomst van referente in Nederland. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat dit volledig is te wijten aan de misleiding door de ex-partner van referente. Het is begrijpelijk dat referente geen kennis had van de Nederlandse verblijfprocedures en er aanvankelijk op vertrouwde dat haar ex-partner een aanvraag voor eiseres had ingediend. De rechtbank begrijpt echter niet waarom referente, naarmate de tijd verstreek, steeds is blijven vertrouwen op wat haar ex-partner haar over de veronderstelde aanvraag had verteld en waarom zij niet op enig moment argwaan kreeg – al was het maar omdat een beslissing over de verblijfsvergunning van eiseres (en daarmee haar overkomst naar Nederland) al die tijd uitbleef. In dit verband mocht de minister ook van belang vinden dat referente – zoals zij ook op zitting heeft verklaard – na haar aankomst in Nederland op meerdere momenten contact heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten (waaronder de IND) en op die momenten had kunnen informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de veronderstelde aanvraag van eiseres (of daar hulp bij had kunnen vragen), en dat referente in 2022 nog naar Iran is geweest om documenten voor deze veronderstelde aanvraag te regelen. De verantwoordelijkheid voor het indienen van een aanvraag is daarom na verloop van tijd mede bij referente komen te liggen, en deze verantwoordelijkheid heeft zij niet volledig genomen. Desalniettemin is het, gelet op het voorgaande en gegeven de verklaringen van referente over de misleiding door haar ex-partner (die door de minister overigens niet worden betwist), ook niet gehéél aan eiseres te wijten dat het indienen van een aanvraag voor eiseres lange tijd heeft geduurd. Door in de belangenafweging zwaar de nadruk te leggen op de eigen verantwoordelijkheid van referente om een aanvraag voor eiseres in te dienen, heeft de minister dat niet onderkend en onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden waaronder referente aanvankelijk in Nederland heeft verbleven.
Objectieve belemmering
10. Eiseres betoogt dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Iran uit te oefenen, omdat referente in Iran vreest voor vervolging en daar een reëel risico op ernstige schade loopt. Referente heeft nooit een asielaanvraag ingediend, omdat zij (al) een reguliere verblijfsvergunning had en (inmiddels) over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Desalniettemin vreest zij voor vervolging in Iran vanwege haar politieke overtuiging. Referente heeft in Iran deelgenomen aan demonstraties, wat blijkt uit een video die bij internationale media terecht is gekomen. In Nederland heeft referente haar deelname aan demonstraties voortgezet, [9] en ook daarvan bestaan video’s en berichten op sociale media. Zij heeft zich hiermee waarschijnlijk in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten gespeeld, omdat uit landeninformatie blijkt dat de Iraanse autoriteiten politieke activisten in het buitenland monitoren. [10] De minister heeft deze vrees niet beoordeeld. De minister heeft slechts tegengeworpen dat referente in 2022 nog naar Iran is teruggekeerd, maar dat kan aan deze vrees niet afdoen. Dat was immers een kort en noodzakelijk bezoek om documenten voor eiseres te regelen, waarbij referente zich zo min mogelijk in het openbaar heeft begeven. Nog daargelaten dat de risico’s bij een kort bezoek kleiner zijn dan bij duurzame vestiging, bestaat het risico dat de Iraanse autoriteiten referente bij een volgend bezoek aan Iran wél zullen benaderen. Bovendien heeft referente ook concrete indicaties dat zij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Enige tijd geleden heeft zij de Iraanse ambassade in Nederland bezocht om haar paspoort te verlengen. Bij dat bezoek moest zij haar telefoon afstaan, en sindsdien gebeuren er gekke dingen op haar telefoon als gevolg waarvan zij vermoedt te zijn gehackt: zo werden bijvoorbeeld ineens bestanden uit haar MediaMarkt-cloud verwijderd. Verder is de minister eraan voorbijgegaan dat referente gevaar loopt, omdat zij inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en ongehuwd in Nederland heeft samengewoond. Ongehuwd samenwonen is in Iran strafbaar. [11] Dat referente en eiseres in het verleden bescherming hebben gehad van de Iraanse autoriteiten – in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling van hun ex-partner en vader – betekent daarom niet dat zij nu weer op dezelfde bescherming kunnen rekenen.
10.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat referente vanwege haar politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Het is aan eiseres om te individualiseren dat de Iraanse autoriteiten met de deelname van referente aan demonstraties bekend zijn en dat referente daarom bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. [12] Daarin is zij niet geslaagd. Afgezien nog van het feit dat tussen partijen in geschil is of referente ook in 2019 in Iran heeft deelgenomen aan een demonstratie, wijst de minister er terecht op dat de rol van referente tijdens demonstraties beperkt lijkt te zijn tot een enkele deelname. Verder heeft referente van 2019 tot aan haar vertrek zonder problemen in Iran verbleven, heeft zij Iran probleemloos kunnen verlaten en heeft zij zelfs in 2022 nog zonder problemen kunnen terugkeren naar Iran. Dat dit slechts een kort bezoek was, is – anders dan eiseres stelt – niet van belang. Ook bij een kort bezoek komt referente immers in contact met de Iraanse autoriteiten (zoals bij binnenkomst en bij het verlaten van Iran), en dat verhoudt zich niet tot de gestelde vrees om door diezelfde autoriteiten te worden vervolgd. Daar komt nog bij dat referente nadien nog heeft besloten een Iraans paspoort aan te vragen en daarvoor langs de Iraanse ambassade in Nederland is geweest. Dat bestanden uit de MediaMarkt-cloud van referente zijn verwijderd, is evenmin een aanwijzing dat zij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. De minister stelt hierover terecht dat de overgelegde e-mail slechts een servicebericht van de leverancier van de clouddiensten van referente is, en dat niet is gebleken dat referente naar aanleiding van deze e-mail een verzoek bij de leverancier heeft gedaan om de oorzaak van het verwijderen van de bestanden te achterhalen. Dat het risico bestaat dat de Iraanse autoriteiten referente bij een eventueel toekomstig bezoek aan Iran wél zullen vervolgen, zoals eiseres stelt, is dan ook niet gebleken en niet nader onderbouwd. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat referente gevaar loopt vanwege het aannemen van de Nederlandse nationaliteit en het ongehuwd samenwonen in Nederland. Ook hiervoor geldt dat eiseres deze vrees moet individualiseren. De minister stelt terecht dat eiseres dat niet heeft gedaan met een enkele verwijzing naar algemene landeninformatie dat ongehuwd samenwonen in Iran strafbaar is en dat terugkeerders met een dubbele nationaliteit een groter risico op ondervragingen lopen. Uit landeninformatie volgt weliswaar dat ongehuwd samenwonen in Iran strafbaar is en dat Iraniërs met een dubbele nationaliteit een “verhoogd risico op arrestatie, arbitraire detentie en een oneerlijk proces” lopen, [13] maar dat betekent nog niet dat iedere Iraniër die ongehuwd samenwoont of heeft samengewoond of iedere Iraniër met een dubbele nationaliteit met arrestatie of detentie te maken krijgt. De minister mocht daarom in dat verband meer van eiseres verwachten dan een enkele verwijzing naar algemene landeninformatie.
11. Eiseres betoogt verder dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Iran uit te oefenen, omdat de algemene veiligheidssituatie in Iran sterk is verslechterd en het reisadvies voor Iran rood is. Eiseres heeft er ter onderbouwing op zitting op gewezen dat recentelijk een besluitmoratorium voor Iran is ingesteld en dat de Iraanse autoriteiten bezig zijn met een klopjacht op jongeren.
11.1.
Dit betoog slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de algemene veiligheidssituatie niet maakt dat sprake is van een objectieve belemmering. Uit het besluit tot instellen van een besluitmoratorium blijkt dat er op dit moment onzekerheid bestaat over de algemene veiligheidssituatie in Iran, [14] zodat op dit moment niet kan worden beslist op asielaanvragen van Iraniërs. De minister wijst er terecht op dat het besluitmoratorium zélf niet van belang is voor de vraag of een objectieve belemmering bestaat om familie- en gezinsleven in Iran uit te oefenen. Maar de hieraan ten grondslag liggende overweging dat onzekerheid bestaat over de algemene veiligheidssituatie in Iran is dat wel. Het feit dat de algemene veiligheidssituatie in een land van herkomst onzeker is, is naar het oordeel van de rechtbank een relevante omstandigheid waaraan de minister in de belangenafweging in ieder geval aandacht moet besteden. De minister heeft dat onvoldoende gedaan. De minister heeft op zitting nog wel gewezen op het Informatiebericht (IB) 2026/7, maar dit informatiebericht bevat – zoals eiseres terecht heeft gesteld – slechts “richtsnoeren voor de behandeling van verlenging binnen KVV- en MVV-procedures en voor de toepassing van het MVV- en legalisatievereiste” [15] en zegt dus niets over de vraag welk gewicht toekomt aan het feit dat de algemene veiligheidssituatie in Iran op dit moment onzeker is. Het bestreden besluit is daarom ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Persoonlijke situatie van eiseres en referente
12. Eiseres betoogt dat de minister de persoonlijke situatie van eiseres en referente niet goed in de belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft allereerst niet onderkend dat referente psychische klachten heeft als gevolg van de scheiding van eiseres en de overgelegde brief van haar psycholoog niet in de belangenafweging betrokken. Hoewel de psychische klachten niet allemaal het gevolg zijn van deze scheiding, staat deze scheiding een herstel – ook van andere dan psychische klachten – wel in de weg en is hereniging van referente en eiseres voor goed herstel van deze klachten noodzakelijk. [16] Verder gaat het ook met eiseres niet goed. Eiseres heeft op dit moment weliswaar toegang tot onderwijs en medische zorg, maar dat zegt niets over haar veiligheid, mentale gezondheid of haar toekomstperspectief. Daar komt bij dat eiseres (psychisch) lijdt onder de scheiding van referente en dit psychische kwetsbaarheid en isolatie tot gevolg heeft, en dat de ouders van referente – die nu voor eiseres zorgen – eveneens medische problemen hebben, waardoor zij eigenlijk niet meer in staat zijn om voor eiseres te zorgen. [17] De persoonlijke situatie van referente en eiseres moeten daarom – net als het aangenomen familie- en gezinsleven – zwaarder in het voordeel van eiseres worden gewogen dan de minister nu heeft gedaan.
12.1.
Het betoog van eiseres slaagt niet voor zover dat ziet op haar huidige situatie in Iran. De minister heeft in de belangenafweging betrokken dat eiseres enige tijd in Iran heeft gestudeerd (maar dat nu niet meer doet), dat zij in die periode heeft verbleven in een voorziening voor studenten en dat zij meerdere familieleden in Iran heeft wonen. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat uit het dossier blijkt dat eiseres in Iran aanspraak kan maken op medische zorg. Eiseres heeft dat niet betwist. Dat het voor eiseres – los van de hierboven aangehaalde algemene veiligheidssituatie – in Iran onveilig zou zijn, heeft zij niet onderbouwd. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat zij – voor zover dat al van belang is – in Iran geen toekomstperspectief heeft. Verder mocht de minister op dit punt waarde hechten aan het feit dat niet is gebleken dat eiseres in Iran voor haar algemene dagelijkse levensverrichtingen afhankelijk is van anderen, zoals de ouders van referente. In zoverre ziet de rechtbank niet in waarom van belang is dat de ouders van referente, die nu tot op zekere hoogte voor eiseres zorgen, daartoe niet meer in staat zouden zijn en waarom de minister dat onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.
12.2.
Voor zover het betoog van eiseres gaat over de psychische klachten van referente en eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt dat zowel eiseres als referente psychische klachten hebben. Hoewel de scheiding tussen referente en eiseres niet de enige oorzaak voor deze klachten is, volgt uit de brieven van de behandelaars van referente wel dat vestiging van eiseres in Nederland een positieve invloed zou hebben op deze psychische klachten en het herstel daarvan. De minister heeft dat in de belangenafweging betrokken, maar daar tegenover gezet dat eiseres en referente hun familie- en gezinsleven ook in Iran kunnen uitoefenen omdat daar geen objectieve belemmering voor bestaat. De rechtbank kan de minister op zichzelf genomen in dat standpunt volgen. Als een verblijf in elkaars nabijheid ook in Iran mogelijk is en dit een positieve uitwerking op de psychische klachten van eiseres en referente heeft, valt zonder nadere toelichting immers niet in te zien waarom op Nederland een positieve verplichting rust om de uitoefening van familie- en gezinsleven mogelijk te maken. De rechtbank is hiervoor, onder 11.1, echter tot de conclusie gekomen dat de minister zijn standpunt over het ontbreken van een objectieve belemmering in Iran onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister kan ter motivering daarom niet volstaan met een verwijzing naar dat standpunt, zodat ook op dit punt een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleeft. De minister zal zijn standpunt over de persoonlijke situatie van referente en eiseres, zo nodig en afhankelijk van het standpunt dat hij over de objectieve belemmering zal innemen, nader moeten motiveren.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister alle omstandigheden zal moeten betrekken en vervolgens een nieuwe belangenafweging moet maken met inachtneming van wat de rechtbank onder 9.2.1, 9.2.2, 11.1 en 12.2 heeft overwogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarbij de bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister daarom opdragen om binnen twaalf weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934, met een wegingsfactor van 1). De minister moet ook het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868;
  • bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 194 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Haarlem) 25 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12420.
2.Vergelijk ook de Werkinstructie (WI) 2026/6, p. 12.
3.ABRvS 3 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2491, r.o. 3.5.
4.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Haarlem) 25 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12420.
5.ABRvS 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5354, r.o. 5.5.
6.Eiseres wijst op een visumaanvraag voor de Verenigde Staten uit 2020 en berichten die referente in 2021 aan een advocaat heeft gestuurd.
7.Eiseres wijst ook op een nadere toelichting van referente hierover van 19 april 2026 en de verklaring van de ex-partner van referente van 19 april 2026.
8.Zie het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase van 6 maart 2025, p. 2.
9.Eiseres wijst ter onderbouwing op enkele ongedateerde foto’s van demonstraties.
10.Eiseres wijst op het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, p. 40, het artikel “Gefilmd worden, echo op je mobiel: Iraanse NL’ers vrezen lange arm Teheran” van de NOS van 25 oktober 2022, de aflevering “De lange arm van Iran” van De Groene Amsterdammer Podcast van 12 december 2024, de artikelencollectie “De Lange Arm van Iran” van VPRO Argos en het rapport “Over de grens. Statelijke inmenging in diasporagemeenschappen in Nederland” van de AIVD en de NCTV van 17 oktober 2024, p. 30.
11.Eiseres wijst op de internetpagina ‘Country policy and information note: ‘Zina’ (sex outside of marriage and adultery’, Iran, July 2022’ van de Britse overheid, laatst geüpdatet op 7 januari 2026.
12.Vergelijk, hoewel onderhavige aanvraag geen asielaanvraag is, paragraaf C2/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zoals die gold tot 12 juni 2020.
13.Vergelijk hiertoe ook het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, p. 114-118.
15.Zie het IB 2026/7, p. 1.
16.Eiseres wijst op brieven van de psychiater van referente van 18 februari 2026 en 12 januari 2026, een verpleegkundig verslag van het UWV van 23 februari 2026, een brief van de fysiotherapeut van referente van 6 januari 2026, een ongedateerde brief van de huisarts van referente en een bericht van de huisarts van referente van 6 september 2022.
17.Eiseres wijst ter onderbouwing op een ongedateerde eigen verklaring, een verklaring van de familie van eiseres van 24 april 2026, en enkele onvertaalde documenten.