ECLI:NL:RBDHA:2026:17070
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseert dit op de Dublinverordening, waarbij Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser betoogt dat Kroatië niet verantwoordelijk kan zijn vanwege structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, waaronder mishandeling en push-backs door Kroatische autoriteiten. Tevens stelt hij dat de discretionaire bevoegdheid van de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet juist is toegepast.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Kroatië geacht wordt haar internationale verplichtingen na te komen. Er is onvoldoende bewijs dat Kroatië structurele tekortkomingen vertoont die een reëel risico voor eiser opleveren. Ook is het claimakkoord geldig en is er geen aanleiding om af te wijken van de overdracht. De discretionaire bevoegdheid is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet toegepast.
Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.