Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19634 en NL26.19635
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een Iraakse asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, ongegrond verklaard. De minister had het besluit genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat hij vreest voor indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland, omdat hij als Jezidi in Irak gevaar loopt. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel inhoudt dat lidstaten mogen vertrouwen op de correcte behandeling van asielzoekers door andere lidstaten. Er is geen sprake van systeemfouten in Duitsland die dit vertrouwen ondermijnen.

De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid maken. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19634 en NL26.19635
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 2000, van Iraakse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Bondsrepubliek Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Bondsrepubliek Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Waarom is eiser het niet eens met het besluit?
4. Eiser voert aan dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, die is afgewezen. Duitsland heeft daarbij bepaald dat hij terug moet keren naar Irak. Eiser vreest dan ook dat hij door Duitsland zal worden uitgezet naar Irak. Eiser stelt dat hij in Irak als Jezidi in een onveilige situatie terecht zal komen. Vanwege zijn angst om bij een overdracht te zullen worden teruggestuurd doet eiser een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Het oordeel van de rechtbank
5. Over eisers betoog dat hij bij zijn overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent dat de lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in de uitspraak van 30 november 2023 [3] uitgelaten over het toetsingskader van indirect refoulement in het kader van een Dublinprocedure. Uit deze uitspraak volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Naar aanleiding van dit arrest heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming niet relevant zijn bij de toetsing van een overdrachtsbesluit en dat evidente en fundamentele verschillen in beschermingsbeleid geen systeemfout kunnen opleveren [4] . Eisers stelling dat Duitsland de situatie van Jezidi’s in Irak anders beoordeelt dan Nederland, is dus onvoldoende. Eiser heeft niet gesteld dat in Duitsland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure waardoor niet zou kunnen worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt dan ook niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat een nieuwe aanvraag van eiser niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat hij geen nieuwe feiten en omstandigheden kan aanvoeren, maakt het voorgaande niet anders. Dit is immers in lijn met de Procedurerichtlijn [5] .
6. Over eisers beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening overweegt de rechtbank als volgt. Op het gestelde risico op indirect refoulement is de rechtbank hiervoor al ingegaan. Deze omstandigheid hoeft dan niet nogmaals betrokken te worden bij de beoordeling in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [6] De rechtbank ziet ook in wat eiser verder heeft aangevoerd geen reden voor de conclusie dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De enkele omstandigheid dat in Nederland een hogerberoepsprocedure loopt over het beleid ten aanzien van Jezidi’s uit Irak en dat dat beleid naar aanleiding daarvan mogelijk wordt gewijzigd, is daartoe onvoldoende. Ook is niet gebleken dat de angst van eiser leidt tot dusdanig ernstige klachten of problemen dat overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.19634) ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.19635) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.ECLI:EU:C:2023:934.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
5.Richtlijn 20132/32/EU
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2026, ECLI:NLRVS:2026:1431.