Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag werd ingediend op 27 september 2024, terwijl verweerder uiterlijk 26 maart 2025 had moeten beslissen. Verweerder stelde de beslistermijn met drie maanden verlengd, maar heeft geen besluit genomen. Eiser stelde op 18 mei 2025 beroep in na een rechtsgeldige ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het fifo-principe dat verweerder hanteert geen reden is om de behandeling van het beroep aan te houden of een ruimere beslistermijn toe te passen dan het kader dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vastgesteld. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast bepaalt de rechtbank een dwangsom van € 50 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding van deze termijn. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen van € 1.442, vergoeding van het griffierecht van € 194 en proceskosten van € 467. De rechtbank wijst het beroep toe en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn te beslissen.