ECLI:NL:RBDHA:2026:1731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht afgewezen

Eiser, een Chinese nationaliteit dragende vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 20 januari 2026 in bewaring gesteld wegens het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte de zware gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig document voor Nederland en het niet opvolgen van de vertrekplicht na een niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag.

De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende basis bieden voor de bewaring. Het standpunt van eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast, werd verworpen omdat geen feiten of omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. Ook het beroep op het non-refoulementbeginsel faalde, aangezien eerder was vastgesteld dat terugkeer naar Turkije geen schending oplevert.

Hoewel de informatiebrief niet in een voor eiser begrijpelijke taal was uitgereikt, werd dit gebrek gepasseerd omdat eiser mondeling via een tolk was geïnformeerd en zijn rechtspositie niet was geschaad. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.3607

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, gehoord via een videoverbinding. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Chinese nationaliteit. Vaststaat dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond 3a.
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Dat eiser, zoals hij stelt, bij zijn binnenkomst in Nederland beschikte over een geldig paspoort en een geldige verblijfsvergunning voor Turkije doet niet af aan verweerders vaststelling dat eiser niet beschikte over een geldig document om Nederland in te reizen. Door eiser is niet gesteld, noch blijkt uit het dossier, dat hij de beschikking had over een geldig visum of verblijfsvergunning. Ook zware grond 3c is feitelijk juist, omdat uit de niet-ontvankelijkverklaring van eisers asielaanvraag bij het besluit van 24 september 2025 de plicht voor eiser volgt om Nederland binnen vier weken te verlaten. Eiser heeft hieraan geen gevolg gegeven. Deze zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
5. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel, omdat het eenmalig niet verschijnen op het vertrekgesprek van 16 oktober 2025 onvoldoende is voor het opleggen van vreemdelingenbewaring, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Verweerder heeft, gelet op de gronden, voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde onttrekkingsrisico te ondervangen. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Zicht op uitzetting - Non-refoulement
6. Eiser stelt zich nogmaals op het standpunt dat hij in Turkije het risico loopt om uitgezet te worden naar China. Bij uitspraak van 27 november 2025 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht een terugkeerbesluit gericht op Turkije heeft opgelegd en dat daaruit geen schending van het non-refoulementbeginsel volgt. [4] Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die nopen tot een andere conclusie.
Informatieplicht
7. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat de informatiebrief niet is uitgereikt in een voor hem begrijpelijke taal.
8. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring ten onrechte staat vermeld dat aan eiser de informatiebrief is uitgereikt in de Oeigoerse taal. Ter zitting is besproken dat geen informatiebrief in de Oeigoerse taal bestaat en dat aan eiser een informatiebrief in de Chinese taal is uitgereikt. Niet is gebleken dat eiser de Chinese taal dusdanig beheerst dat hij de aan hem uitgereikte informatiefolder in de Chinese taal kan begrijpen. Verweerder heeft met deze informatiefolder daarom niet aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vb voldaan. In zoverre is sprake van een gebrek. Gesteld noch gebleken is echter dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Zoals uit het proces-verbaal M110 volgt, zijn, de gronden die aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd met tussenkomst van een registertolk in de Oeigoerse taal aan eiser zijn medegedeeld. Hierdoor is eiser wel mondeling geïnformeerd over zijn inbewaringstelling. Ook was eiser bekend dat hij rechtsbijstand kon verkrijgen en heeft hij beroep kunnen instellen. De rechtbank zal het gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [5] passeren.
Ambtshalve toets
9. Ook verder is er geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bbp [6] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Algemene wet bestuursrecht.
6.Besluit proceskosten bestuursrecht.