ECLI:NL:RBDHA:2026:17327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL24.25925
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VwArt. 8.7 VbArt. 8 EVRMArt. 61 VwArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging belangenafweging privéleven bij afwijzing EU-verblijfsdocument

Eiseres, een Peruaanse staatsburger, vroeg om afgifte van een EU-verblijfsdocument op grond van haar duurzame relatie met een Kroatische referent. Verweerder wees de aanvraag af omdat de referent niet in Nederland verbleef en de relatie niet als duurzaam werd aangemerkt. Tevens legde verweerder een terugkeerbesluit op.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is vanwege een motiveringsgebrek in de belangenafweging van het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Verweerder had onvoldoende inzicht gegeven in het gewicht dat werd toegekend aan het feit dat eiseres eigen inkomsten heeft. Dit motiveringsgebrek is in de beroepsfase hersteld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het terugkeerbesluit werd bevestigd omdat eiseres vanaf 7 juni 2024 geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank wees het bezwaar tegen het afzien van horen in bezwaar af en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek in de belangenafweging, het bestreden besluit wordt gedeeltelijk vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25925

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 7 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. van Wezel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Peruaanse nationaliteit. Zij is op een onbekende datum Nederland ingereisd. Op 18 juli 2023 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, op grond van haar gestelde duurzame relatie met [referent] (referent). Referent heeft de Kroatische nationaliteit en is dus Unieburger.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt het volgende in. Eiseres heeft allereerst onvoldoende aangetoond dat referent zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een duurzame relatie heeft met referent. Zij zijn niet getrouwd en woonden niet samen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden. Ook zijn er onvoldoende persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht om de relatie desondanks als duurzaam aan te merken. Verweerder heeft verder (ambtshalve) geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd aan eiseres, waarin is bepaald dat zij moet terugkeren naar Peru.
Juridisch kader
3.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw, voor zover hier van belang, verschaft verweerder aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2, 4 en 6, van de Vw, een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
3.2.
Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is deze paragraaf van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
Op grond van het vierde lid, voor zover hier van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
4.1
In het aanvullend beroepschrift van 6 februari 2026 heeft eiseres verklaard dat de duurzame relatie tussen haar en referent inmiddels is beëindigd.
4.2.
Verweerder stelt zich naar aanleiding hiervan primair op het standpunt dat het procesbelang van eiseres enkel nog gelegen is in de beoordeling van een eventueel verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, nu vaststaat dat (gestelde) relatie tussen eiseres en referent is beëindigd en zij geen belang meer heeft bij de vaststelling van dit declaratoir verblijfsrecht nu eiseres hoe dan ook op dit moment niet aan de voorwaarden voldoet. Verweerder concludeert daarom primair dat het beroep deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.3.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn conclusie. Niet in geschil is dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen de ambtshalve beoordeling op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Zij is daarmee de drempel van het procesbelang over. De rechtbank ziet geen rechtsgrond voor het oordeel dat een beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk kan zijn vanwege het (mogelijk) ontbreken van procesbelang op één van de onderdelen van het besluit. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseres procesbelang heeft bij deze procedure.
Afgifte verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, Vw
5.1.
Eiseres voert primair aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in aanmerking komt voor afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw, omdat zij geen duurzame relatie zou onderhouden met referent. Dat referent na de aanvraagfase en kort voor het primaire besluit is vertrokken uit Nederland, kan gelet op het ex tunc beoordeling niet afdoen aan het bestaan van dit afgeleide verblijfsrecht, aldus eiseres. Dat de relatie inmiddels is verbroken is ook niet van belang, gelet op de ex tunc beoordeling.
5.2.
Verweerder is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Op 18 juli 2023 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend. Op 18 februari 2024 heeft referent zich uitgeschreven uit de Basisregistratie personen wegens vertrek naar Kroatië. Op 12 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, onder meer omdat referent ten tijde van het primaire besluit niet meer in Nederland verbleef. In het bestreden besluit van 7 juni 2024 heeft verweerder zijn standpunt hierover gehandhaafd. Op 25 juli 2025 heeft referent zich opnieuw in Nederland ingeschreven.
5.3.
Ter zitting heeft eiseres deze feiten en omstandigheden niet bestreden. Verder is niet in geschil dat de rechtbank het bestreden besluit ex tunc moet toetsen. Anders dan eiseres stelt, betekent dit dat de rechtbank het bestreden besluit beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals deze zich voordeden op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, en dus niet op het moment van de aanvraag. Nu referent ten tijde van zowel het primaire besluit als het bestreden besluit niet in Nederland verbleef, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat referent niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling zoals bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van de Vb. Eiseres kan daarom geen afgeleid verblijfsrecht aan hem ontlenen op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw.
5.4.
Gelet op wat onder 5.3 is overwogen, komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van de vraag of eiseres en referent een duurzame relatie onderhielden. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM Pro
6.1.
Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat haar geen verblijfsrecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM toekomt. Op grond van haar privéleven in Nederland kan niet van haar verlangd worden dat zij Nederland verlaat.
6.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie-/ gezinsleven of privéleven een fair balance moet worden gevonden tussen de belangen van vreemdelingen enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Alle voor de belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden moeten kenbaar bij de afweging worden betrokken. De rechtbank moet zonder terughoudendheid beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter van de weging van de belangen door verweerder enigszins terughoudend dient te zijn.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft gericht tegen de vaststelling van verweerder dat er tussen haar en referent geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat dit niet in geschil is. Eiseres heeft wel aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in dit kader gemaakte belangenafweging ten overvloede was. Aan de eenmaal gemaakte belangenafweging kan verweerder zich niet meer onttrekken, aldus eiseres. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189) er geen belangenafweging hoeft plaats te vinden wanneer er geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, zodat de in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging inderdaad ten overvloede is verricht. De vraag of de belangenafweging voor het familie- en gezinsleven in het bestreden besluit deugdelijk heeft plaatsgevonden, behoeft daarom geen bespreking.
6.4.
Verweerder is wel uitgegaan van beschermingswaardig privéleven. Omdat het bestreden besluit een inmenging vormt in dat privéleven, heeft verweerder terecht een belangenafweging gemaakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder hierbij alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft in het bestreden besluit in het voordeel van eiseres meegewogen dat zij werkzaam is bij een tandartspraktijk en zodoende eigen inkomsten heeft om de kosten van haar levensonderhoud te betalen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar alle andere overwegingen in het kader van de belangenafweging en/of het privéleven in het primaire besluit. De rechtbank begrijpt dat verweerder hierbij mede doelt op de overweging dat het belang van de Nederlandse overheid onder andere is het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land, en dat om die reden niet iedereen zich zomaar in Nederland mag vestigen. En op de overweging dat als in het geval van een eerste toelating niet aan de voorwaarden wordt voldaan, het belang van de overheid meestal zwaarder weegt. Verder begrijpt zij dat verweerder met genoemde verwijzing doelt op de belangen die in het primaire besluit in het nadeel van eiseres bij de belangenafweging zijn betrokken, zowel de belangen die zijn genoemd in het kader van het familieleven als het privéleven, te weten: het economisch belang (wat betreft de faciliteiten die uit algemene middelen worden betaald en waartoe eiseres toegang zal krijgen als zij in Nederland komt wonen), dat er voor eiseres geen objectieve belemmering of anderszins belemmeringen zijn om in Peru te (gaan) wonen, de omstandigheid dat zij nooit een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad, dat niet is gebleken dat de sociale banden die zij in Nederland heeft opgebouwd de gebruikelijke banden overstijgen en dat zij deze banden bovendien is aangegaan toen zij nog niet wist of zij in Nederland mocht blijven. Ook in het nadeel van eiseres heeft verweerder betrokken dat zij een substantieel deel van haar leven in Peru heeft gewoond, de taal spreekt en zodoende daar ook weer privéleven kan opbouwen. De in Nederland opgebouwde sociale banden kan zij bovendien ook vanuit Peru onderhouden.
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit vervolgens onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd welke gewicht is toegekend aan de omstandigheid dat eiseres eigen inkomsten heeft om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. In het bestreden besluit wordt met name verwezen naar de overwegingen in het primaire besluit. Dat eiseres eigen inkomsten heeft waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien, wat zij eerst in bezwaar heeft aangetoond, is volgens verweerder wel in haar voordeel meegewogen. Dit kan volgens verweerder niet tot een ander oordeel leiden omdat de andere belangen in haar nadeel blijven wegen en deze niet door eiseres zijn weerlegd. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in welk gewicht is toegekend aan de omstandigheid dat eiseres eigen inkomsten heeft en hoe de belangenafweging heeft geresulteerd in een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het privéleven en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving.
6.6.
In de verweerschriften van 3 en 16 februari 2026 en op de zitting heeft verweerder zijn standpunt inzake de belangenafweging nader uiteengezet. Verweerder heeft benadrukt en toegelicht dat het privéleven van eiseres in Nederland slechts beperkt is. Ook heeft hij toegelicht dat het belang van eiseres dat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien, in samenhang is bezien met alle overige belangen die zijn betrokken. Verweerder heeft verder toegelicht dat het door de Nederlandse staat gehanteerde restrictieve toelatingsbeleid en de omstandigheden dat eiseres nooit aan de voorwaarden voor toelating heeft voldaan en dat voor haar nooit zeker is geweest dat ze in Nederland mocht blijven, alsmede het economische belang dat een beroep zal worden gedaan op algemene voorzieningen als infrastructuur, woonruimte en zorg, zwaar in het nadeel van eiseres wegen. Eiseres zal door het hebben van eigen inkomsten weliswaar geen beroep doen op de bijstand, maar daarmee zijn de belangen die in haar nadeel meewegen niet vervallen en deze blijven onverkort gelden. De belangen van eiseres wegen volgens verweerder niet zwaarder dan de belangen van de Nederlandse overheid en daarom valt de belangenafweging in haar nadeel uit.
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze aanvullende motivering alsnog inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres inkomsten heeft is meegewogen in de belangenafweging en tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder is daarom niet gehouden om eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verstrekken. Op wat dit alles betekent voor het beroep, wordt hierna onder 9 ingegaan.
Terugkeerbesluit
7.1.
Eiseres voert aan dat het opgelegde terugkeerbesluit geen stand kan houden omdat zij inmiddels, vanaf 25 juli 2025, een verblijfsvergunning in Spanje heeft.
7.2.
Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Vw dient een vreemdeling die geen of niet langer rechtmatig verblijf heeft Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de gestelde termijn.
7.3.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de aanvraag van eiseres terecht is afgewezen en verweerder haar geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM hoefde te verlenen, staat vast dat eiseres vanaf 7 juni 2024 geen procedureel rechtmatig verblijf meer had. Verweerder was daarom gehouden om een terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dat punt dan ook geen gebrek bevat.
7.4.
Dat eiseres vanaf 25 juli 2025 rechtmatig verblijf in Spanje heeft, kan eiseres niet baten. Gelet op de ex tunc toetsing van het onderhavige beroep, doet het later verkregen verblijfsrecht in Spanje niet af aan de rechtmatigheid van het reeds opgelegde terugkeerbesluit.
7.5.
De beroepsgrond slaagt niet. Op de vraag of het terugkeerbesluit inmiddels is komen te vervallen, hoeft de rechtbank gezien de ex tunc-toetsing niet in te gaan.
Hoorplicht
8.1.
Eiseres voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
8.2.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eiser niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst voor het toetsingskader verder op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, waarin wordt benadrukt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure en de vuistregel geformuleerd is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
8.3.
Reeds in het primaire besluit heeft verweerder tegengeworpen dat referent niet langer in Nederland woonde en daarom niet als referent kon dienen. Omdat ook in bezwaar geen objectieve stukken zijn overgelegd om dit te weerleggen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van dit punt op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit.
Op grond van de in bezwaar overgelegde arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties heeft verweerder eiseres gevolgd in haar stelling dat zij zelf kan voorzien in haar levensonderhoud en dat dit in haar voordeel dient mee te wegen. Eiseres heeft verder geen nieuwe informatie of aanvullende bewijsstukken overgelegd die een ander licht werpen op de belangenafweging zoals verweerder die in het primaire besluit reeds had verricht. Ook hierom heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft gezien het voorgaande van horen in bezwaar kunnen afzien.
8.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond om de hiervoor onder 6.5 vermelde reden. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft de belangenafweging in het kader van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand worden gelaten omdat verweerder het motiveringsgebrek inmiddels heeft hersteld.
10. Gelet op het in 6.5 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in het kader van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.