ECLI:NL:RBDHA:2026:17339
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning machtiging voorlopig verblijf nareis op grond van feitelijke gezinsband
Eiseres, van Jemenitische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) nareis als echtgenote van referent, die een verblijfsvergunning asiel had gekregen. De minister wees de aanvraag af omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er op het peilmoment, 1 november 2021, een feitelijke gezinsband bestond. De minister baseerde dit op het feit dat partijen vrijwel het gehele huwelijk op afstand hadden geleefd, geen gezamenlijke huishouding voerden en dat het contact vooral oppervlakkig was.
De rechtbank stelde vast dat eiseres en referent elkaar in 2016 leerden kennen, in 2018 trouwden en kort daarna samenwoonden bij de ouders van referent. Ondanks studieverplichtingen en visumproblemen hebben zij contact onderhouden via telefoon en app, en pogingen gedaan om in hetzelfde land te studeren. De rechtbank vond de verklaringen en getuigenverklaringen over samenwoning en contact overtuigend en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom dit geen feitelijke gezinsband zou zijn.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over het ontbreken van een feitelijke gezinsband.