Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.9928
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering risico familiale vervolging Gülenist

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende jongvolwassene, diende een asielaanvraag in met het beroep op vervolging vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en familiale vervolging. Zijn vader, een veroordeelde rechter, zit een lange gevangenisstraf uit vanwege zijn connectie met de Gülenbeweging. Eiser vreesde zelf vervolging en vluchtte naar Nederland.

De minister wees de aanvraag af, stellende dat het risico op vervolging voor eiser zelf niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat eiser geen objectieve bewijsstukken overlegde en zijn verklaringen onvoldoende samenhangend waren. De minister erkende het risicoprofiel van Gülen-aanhangers, maar vond dat eiser niet voldeed aan het individualiseringsvereiste.

De rechtbank oordeelt dat de minister het risicoprofiel onvoldoende heeft betrokken in zijn besluit en dat de motivering ten aanzien van het risico op vervolging wegens familiale banden ondeugdelijk is. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie en rapporten die bevestigen dat familieleden van Gülenisten risico lopen op willekeurige vervolging. Ook de verklaring van eiser over de schijnscheiding van zijn ouders en de minderjarige status van zijn broertjes acht de rechtbank aannemelijk.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de juiste motivering en individuele omstandigheden. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt op tot hernieuwde besluitvorming binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.9928
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2005, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, M. Yildiz als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser beschouwt zichzelf als Gülenist. Hij heeft op Gülen-scholen gezeten en ging met het gezin naar sohbets (religieuze gesprekken). Eisers vader is rechter en is na de couppoging op 16 juli 2016 aangehouden en drieënhalf jaar vastgehouden. Vervolgens is eisers vader op 16 juni 2023 opnieuw aangehouden. Tijdens een gevangenisbezoek van eisers moeder uitte eisers vader zijn zorgen over eiser, omdat de officier van justitie hem vragen over eiser had gesteld. Eiser vreesde dat ook hij nu zou worden opgepakt, ook omdat hij inmiddels 18 was geworden. Daarom is eiser op 4 juli 2023 gevlucht. Eisers vader is daarna veroordeeld tot een onherroepelijke gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. In het strafdossier komt eisers naam voor omdat aan eisers vader is tegengeworpen dat hij de Bylock-app gebruikte, en eisers vader de naam en geboortedatum van eiser gebruikte als gebruikersnaam en toegangscode voor die app. De autoriteiten hebben sinds het vertrek van eiser nog twee keer bij zijn moeder en bij de buren naar hem geïnformeerd. Sinds hij in Nederland is, heeft hij ook zo nu en dan meegedaan aan activiteiten van de Gülenbeweging, zoals leeskampen.
Ook heeft eiser in Turkije problemen ondervonden vanwege discriminatie dan wel onderdrukking omtrent zijn Gülen-achtergrond. Bovendien zou eiser problemen kunnen krijgen vanwege het niet vervullen van de dienstplicht.
Besluitvorming
5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas uit de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers problemen met de Turkse autoriteiten vanwege de (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging;
3. Eisers verklaringen over het vervullen van de militaire dienstplicht.
5.1.
De minister heeft het eerste en het laatste asielmotief geloofwaardig geacht, maar niet zwaarwegend genoeg.
5.2.
De minister gelooft wel dat eisers vader is veroordeeld, maar heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser zelf problemen heeft gehad met de autoriteiten vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiser heeft zijn relaas niet onderbouwd met objectieve documenten. Met name heeft hij niet met stukken onderbouwd dat de officier van justitie naar hem heeft gevraagd, dat er nog twee keer navraag naar hem is gedaan en dat hij zelf in het vizier is van de autoriteiten. Voorts vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarbij betrekt de minister dat eisers verklaringen gebaseerd zijn op vermoedens, dat zijn moeder en zijn broertjes geen problemen hebben gehad en dat eiser legaal is uitgereisd.
Beroepsgronden
6. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de beoordeling van het derde asielmotief (dienstplicht). Eiser voert wel diverse gronden aan tegen de beoordeling van het tweede asielmotief. Volgens eiser heeft de minister om diverse redenen onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten.
Problemen vanwege de (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen risico op vervolging door de Turkse autoriteiten loopt vanwege familiale vervolging.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister (toegedichte) Gülenaanhangers sinds 1 juli 2024 aanmerkt als risicoprofiel (paragraaf C7/34.3.2 van de Vc [1] ). In paragraaf C2/2.4 van de Vc staat wat een risicoprofiel inhoudt. De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep, waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf dan ook niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de minister de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de minister of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen.
7.2.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eiser binnen het risicoprofiel valt. Het besluit is op dat punt dus onvoldoende gemotiveerd. De minister heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Een risicoprofiel doet immers niet af aan het individualiseringsvereiste. De kwalificatie als risicoprofiel moet worden gezien als een ‘uitroepteken’ waarmee wordt aangegeven dat een bepaald profiel in algemene zin een bepaalde mate van risico kan lopen in een bepaald land van herkomst. Zelfs indien het risicoprofiel wel was genoemd in de besluitvorming, had eiser dus alsnog individuele omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit volgt dat hij specifiek als (toegedicht) Gülenist het risico op vervolging loopt. De minister meent dat daar niet van is gebleken. Eiser heeft immers op geen enkel moment problemen gehad met de Turkse autoriteiten en hij heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij toch wel in de negatieve belangstelling staat.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat deze redenering van de minister geen stand kan houden. Vast staat immers dat eiser als kind onderwijs heeft gevolgd op Gülenscholen en dat zijn vader wegens zijn werkzaamheden als rechter en betrokkenheid bij de Gülenbeweging een lange gevangenisstraf uitzit. De rechtbank verwijst in dit verband naar één van de uitspraken van de Afdeling [2] van 25 maart 2026 [3] . Daarin overwoog de Afdeling dat alhoewel het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023 vermeldt dat ‘met name’ familieleden van hooggeplaatste Gülenisten vervolgd worden, niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. De Afdeling wijst in dit verband op het rapport van de Finse Immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ van juni 2024, waar eiser ook een beroep op heeft gedaan. Daarin staat dat de strafrechtelijke vervolging van familieleden nog steeds willekeurig is, al is die willekeur afgenomen sinds de jaren na de mislukte coup, en dat de autoriteiten zich met name richten op de partners, kinderen en broers en zussen van Gülenisten.
7.4.
Bovendien heeft eiser een aannemelijke verklaring gegeven waarom zijn moeder en broertjes tot dusver nog geen problemen hebben ervaren. Zo heeft eiser in beroep aangevoerd dat zijn ouders voor de schijn zijn gescheiden om zo problemen te voorkomen; ter onderbouwing hiervan heeft hij een scheidingsbeslissing overgelegd. Daarnaast zijn de broertjes van eiser nog minderjarig, wat volgens eiser de reden is dat zij nog geen problemen hebben gehad met de autoriteiten.
7.5.
Ook heeft eiser een verklaring gegeven voor het feit dat hij geen stukken heeft om te onderbouwen dat hij in de negatieve belangstelling staat. Hij heeft er immers op gewezen dat het in Turkije juridisch mogelijk is om toegang tot inzage in het dossier te beperken en dat hij dus niet kan inzien of er een onderzoek naar hem loopt. Dit wordt bevestigd door het Algemeen Ambtsbericht Turkije van augustus 2023 [4] . Dat de minister meent dat het feit dat eiser legaal is uitgereisd een aanknopingspunt vormt om aan te nemen dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat, volgt de rechtbank ook niet. In het ambtsbericht staat namelijk ook dat de omstandigheid dat tegen iemand een strafrechtelijk onderzoek loopt, niet uitsluit dat die persoon op legale wijze Turkije kan in- en uitreizen [5] . In een van de Afdelingsuitspraken van 25 maart 2026 [6] is dit ook benoemd.
7.6.
Met betrekking tot eisers activiteiten voor de Gülenbeweging in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft in het verweerschrift erkend dat daarmee in het bestreden besluit geen rekening is gehouden. Volgens de minister heeft eiser echter geen enkel aanknopingspunt aangedragen waaruit blijkt dat hij wegens deze activiteiten bekend is bij de Turkse autoriteiten, mede gelet op het feit dat hij een gewone deelnemer is aan deze activiteiten, zonder een bijzondere taak. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister ook deze omstandigheden in samenhang moet beoordelen met hetgeen hiervoor is overwogen, in het licht van het risicoprofiel en de beschikbare landeninformatie over Turkije.

Conclusie en gevolgen

8. Concluderend oordeelt de rechtbank dat de minister, gelet op het voorgaande, het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Vreemdelingencirculaire 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Pagina 18.
5.Pagina 18.