Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 27 september 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 4 november 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing, maar vertrok op 19 december 2025 met onbekende bestemming, waarna hij geen contact meer onderhield met zijn gemachtigde. De minister bevestigde dat eiser zelfstandig zijn woonruimte had verlaten en niet was verschenen bij gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek.
De rechtbank overwoog dat het vertrek met onbekende bestemming en het ontbreken van contact met de gemachtigde indiceren dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Er waren geen concrete aanwijzingen die dit vermoeden weerlegden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelde zij het beroep niet inhoudelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier A.J. van Bruggen op 2 februari 2026.