ECLI:NL:RBDHA:2026:17550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.35755
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek lesbische relatie

Eiseres, een Oegandese vrouw, heeft meerdere asielaanvragen ingediend met als grond haar lesbische geaardheid. De huidige aanvraag werd afgewezen omdat verweerder de geloofwaardigheid van haar seksuele geaardheid en relatie met haar partner niet aannemelijk achtte. Verweerder vond de verklaringen over de relatie oppervlakkig en onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met concrete en gedetailleerde verklaringen die wel indicaties geven voor het bestaan van een liefdesrelatie die al zeven jaar duurt. Ook is het onzorgvuldig dat verweerder niet heeft overwogen de partner te horen, wat volgens de geldende werkinstructies mogelijk en passend was.

De rechtbank stelt dat verweerder zich onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de relatie niet geloofwaardig zou zijn. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en onvoldoende onderzoek naar de lesbische relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35755

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

mede namens haar minderjarige kind
[minderjarige],
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft op 3 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16887, heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M.V. Babkina als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

De eerdere asielprocedures
1. Eiseres heeft de Oegandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985.
1.1.
Eiseres heeft op 25 september 2012 voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd. Aan die eerste asielaanvraag heeft zij – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij door de Oegandese autoriteiten is gevangengenomen, gefolterd, verkracht en voor dood is achtergelaten. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een rapport overgelegd van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO), waarin een verband werd gelegd tussen haar (psychische) letsels en de door haar gestelde marteling. Bij besluit van 19 juni 2013 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond, omdat hij dit asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig acht. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft bij uitspraak van 8 mei 2014, zaak AWB 13/18204, het beroep van eiseres gegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 10 juni 2015, zaak 201404624/1/V2, die uitspraak echter vernietigd, het hoger beroep van verweerder gegrond verklaard en het beroep van eiseres alsnog ongegrond verklaard.
1.2.
Op 12 april 2016 heeft eiseres een tweede asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij een lesbische geaardheid heeft. Eiseres heeft in dit verband verklaard dat zij dit motief niet eerder naar voren heeft gebracht, omdat zij dat niet durfde en niet wist dat dit motief in Nederland een asielgrond kan vormen. Bij besluit van 18 april 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij de gestelde lesbische geaardheid van eiseres ongeloofwaardig acht. Het beroep van eiseres tegen dit besluit is door deze rechtbank bij uitspraak van 16 mei 2017, zaak AWB 17/8545, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juni 2017, zaak 201704266/1/V2, heeft de Afdeling het hoger beroep van eiseres ongegrond verklaard.
De huidige asielaanvraag
2. Eiseres heeft op 13 april 2023 een derde asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat deze uitspraak. Eiseres heeft aan deze asielaanvraag opnieuw haar lesbische geaardheid ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij de afgelopen jaren is gegroeid in haar seksuele identiteit, waardoor het haar nu beter lukt om zich hierover te uiten en zichzelf te laten zien, en dat zij inmiddels al geruime tijd een relatie heeft met [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Ter onderbouwing heeft eiseres diverse documenten overgelegd, waaronder een brief van [persoon A] , foto’s van haar en [persoon A] samen, steunverklaringen van derden en organisaties en twee rapporten van LGBT Asylum Support van 26 maart 2023 en 4 september 2025.
Het bestreden besluit
3.1.
Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Homoseksuele geaardheid.
3.2.
Verweerder heeft, net als in de eerdere asielprocedures, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De gestelde seksuele geaardheid van eiseres heeft verweerder echter wederom ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiseres hierover volgens hem geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Gelet hierop, en nu er sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat aan eiseres in de eerdere asielprocedures reeds een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar zijn opgelegd.
De beroepsgronden
4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en betoogt dat verweerder haar lesbische geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij stelt hiertoe dat werkinstructie (WI) 2024/6 in het algemeen en de toepassing daarvan in deze zaak in het bijzonder in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Verder stelt eiseres hiertoe dat de beoordeling van verweerder niet in lijn is met WI 2019/17. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd welk gewicht is toegekend aan de door haar overgelegde verklaringen van derden, waaronder die van haar partner [persoon A] . Zij stelt zich op het standpunt dat zowel de verklaringen van derden als haar relatie met [persoon A] duidelijk getuigen van een lesbische geaardheid. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ervan is afgezien [persoon A] te horen. Volgens eiseres hadden haar verklaringen in samenhang bezien met de overgelegde documenten op zijn minst aanleiding moeten geven tot twijfel en verweerder ertoe moeten brengen [persoon A] te horen in het kader van een zorgvuldige besluitvorming.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd.
Verweerders argumentatie
5.1.
Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de verklaringen van eiseres over haar lesbische geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, en daarom ongeloofwaardig zijn, de volgende argumenten ten grondslag gelegd:
1) Eiseres heeft met haar verklaringen niet inzichtelijk gemaakt wat er, ten opzichte van de vorige asielprocedure, is veranderd waardoor zij nu beter kan verklaren over haar lesbische geaardheid en waardoor nu wel van de geloofwaardigheid van haar lesbische geaardheid moet worden uitgegaan (punt 1 in het voornemen);
2) Verder acht verweerder het, gelet op de verklaringen van eiseres dat zij trots is op haar seksuele identiteit, het belangrijk vindt om dat te laten zien en een goede en open relatie heeft met haar zoon, niet aannemelijk dat eiseres niet weet of haar zoon op de hoogte is van haar relatie met [persoon A] , dat eiseres hem niet heeft verteld over de relatie en dat zij een smoes verzint als hij vraagt waarom eiseres bij [persoon A] op de kamer slaapt en niet bij hem (punt 2 in het voornemen);
3) Voorts stelt verweerder dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een liefdesrelatie met [persoon A] . Volgens verweerder zien haar verklaringen grotendeels op zaken die ook kunnen spelen binnen een goede vriendschap of tussen huisgenoten, terwijl haar verklaringen over het romantische aspect van de relatie oppervlakkig, summier en algemeen blijven (punt 3 in het voornemen).
Het beoordelingskader
5.2.1.
De rechtbank overweegt dat het beoordelingskader in lhbti-zaken wordt gevormd door WI 2019/17. Daaruit volgt dat het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling, vanuit zijn/haar eigen ervaringen, vertelt over zijn/haar gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat onverlet dat verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij de verklaringen van de vreemdeling over de verschillende in WI 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang en in het licht van de overige verklaringen moet beoordelen (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5181, onder 2.3) en dat de vreemdeling zijn/haar ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300, onder 3.1).
5.2.2.
Verder volgt uit WI 2019/17 dat verweerder er in twijfelgevallen – bijvoorbeeld als sprake is van een partner – bij wijze van uitzondering voor kan kiezen om een derde te horen.
De relatie met [persoon A]
5.3.
De rechtbank overweegt dat de gestelde relatie van eiseres met [persoon A] het belangrijkste aspect vormt van de door verweerder in deze procedure verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Immers, tijdens het gehoor is veel aandacht besteed aan die relatie (p. 7-15 gehoorverslag) en twee van de drie argumenten die verweerder aan zijn geloofwaardigheidsstandpunt ten grondslag heeft gelegd gaan over die relatie. Die twee argumenten houden – kort gezegd – in dat eiseres er met haar verklaringen geen blijk van heeft gegeven dat de relatie met [persoon A] méér is dan een goede vriendschap (punt 3 in voornemen) en dat het bevreemdend is dat eiseres niet met haar zoon over de relatie heeft gesproken (punt 2 in het voornemen). Deze argumenten tezamen maken dat verweerder niet gelooft dat eiseres een liefdesrelatie heeft met [persoon A] .
5.4.
Ten aanzien van het argument dat uit de verklaringen niet blijkt dat de relatie méér is dan een goede vriendschap, overweegt de rechtbank als volgt.
5.4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, op zichzelf beschouwd, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen die eiseres over haar partner [persoon A] heeft gegeven op onderdelen oppervlakkig, summier en algemeen zijn. Dat geldt meer specifiek voor de verklaringen over hun eerste ontmoeting, de aantrekkingskracht van [persoon A] op eiseres en de ontwikkeling van hun vriendschap tot een liefdesrelatie. Deze summiere en oppervlakkige verklaringen dragen, zoals verweerder niet ten onrechte heeft gesteld, niet bij aan de geloofwaardigheid van het bestaan van een liefdesrelatie. De rechtbank merkt daarbij ook op dat eiseres ter onderbouwing van de gestelde liefdesrelatie slechts beperkt ondersteunend bewijsmateriaal heeft overgelegd. De overgelegde foto’s van eiseres en [persoon A] , onder meer samen met hun kinderen in een zwembadje in de tuin, getuigen op zichzelf genomen niet van een liefdesrelatie.
5.4.2.
Hier staat tegenover dat eiseres ook op onderdelen wel concrete en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd die juist wel indicaties vormen voor het bestaan van een liefdesrelatie. Om te beginnen blijkt uit het totaal aan verklaringen van eiseres dat haar gestelde liefdesrelatie met [persoon A] inmiddels al zeven jaar (van 2019 tot heden) voortduurt. Deze forse duur betreft naar het oordeel van de rechtbank een in het oog springende omstandigheid die kan worden gezien als een aanwijzing voor een liefdesrelatie, te meer nu zowel eiseres als [persoon A] op meerdere momenten gedurende deze langlopende procedure hebben verklaard en bevestigd dat er sprake is van een liefdesrelatie (zie: de brief van [persoon A] van 4 juli 2022, de aanvraag van eiseres in april 2023, de tijdens gehoor getoonde brief van [persoon A] van 11 oktober 2024, de verklaringen van eiseres tijdens het gehoor op 17 oktober 2024 en de verklaringen van eiseres tijdens de zitting van de rechtbank op 19 november 2025). Verder heeft eiseres verklaringen gegeven over kleine spanningen en irritaties tussen haar en [persoon A] . Zo heeft eiseres verklaard dat zij de tekstberichten van [persoon A] soms pas aan het einde van de dag leest, dat [persoon A] dat vervelend vindt en dat zij wil proberen zichzelf op dit punt te verbeteren (p. 11 gehoorverslag). Verder heeft eiseres verklaard dat zij het vervelend vindt dat [persoon A] niet netjes is en van het huis een rommel maakt. Eiseres gaat dan als zij het huis binnenkomt meteen opruimen, hetgeen [persoon A] dan weer niet fijn vindt, omdat zij eerst even ‘gezellig wil doen’ (p. 11 gehoorverslag). Dit soort kleine irritaties en spanningen, mede gezien de ‘huiselijke’ aard ervan, zijn naar het oordeel van de rechtbank kenmerken die eerder op het bestaan van een liefdesrelatie wijzen dan slechts op het bestaan van een vriendschap. Voorts zijn er verklaringen gegeven over praktische punten en andere feitelijkheden die ook eerder duiden op een liefdesrelatie dan slechts een vriendschap. De rechtbank wijst in dit verband – zonder uitputtend te zijn – op de verklaringen dat eiseres in de weekenden bij [persoon A] verblijft (p. 13 gehoorverslag), dat eiseres over een sleutel van de woning van [persoon A] beschikt (zie verklaringen [persoon A] ) en dat eiseres en [persoon A] samen in de slaapkamer slapen terwijl het zoontje van eiseres op zolder slaapt (p. 11-12 gehoorverslag).
5.4.3.
Verweerder heeft voormelde, voor het bestaan van een liefdesrelatie indicatieve verklaringen van eiseres niet onderkend en, mitsdien, niet in het voordeel van eiseres betrokken in het bestreden besluit, waarin alleen maar de voor eiseres nadelige punten (zie 5.4.1) zijn genoemd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder op dit punt niet alle verklaringen van eiseres juist heeft geadresseerd en niet alle verklaringen van eiseres op de juiste wijze heeft betrokken. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet van iemand kan worden verwacht dat hij over elk aspect van zijn relatie even uitgebreid en gedetailleerd verklaart. Dit leidt ertoe dat moet worden geoordeeld dat verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres er geen blijk van geven dat de relatie tussen haar en [persoon A] méér is dan een goede vriendschap.
5.5.
Ten aanzien van het argument dat het bevreemdend – verweerder gebruikt in zijn voornemen de term ‘niet aannemelijk’ maar bedoelt in feite ‘bevreemdend’ of woorden van gelijke strekking – is dat eiseres niet met haar zoon over haar relatie met [persoon A] heeft gesproken, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel verweerder juist heeft opgemerkt dat eiseres heeft verklaard dat zij trots is op haar lesbische geaardheid, het belangrijk vindt om dat te laten zien en een goede en open relatie heeft met haar zoon, volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat het om die reden bevreemdend is dat eiseres niet met haar zoon heeft gesproken over haar relatie met [persoon A] . De zoon van eiseres was ten tijde van het gehoor 10 jaar oud en ten tijde van het bestreden besluit (net) 11 jaar oud. Dat is nog jong en zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het ongebruikelijk is dat een moeder haar kind van die leeftijd (nog) niet op de hoogte stelt van haar geaardheid en relatie. Gelet hierop ontbeert dit argument van verweerder een deugdelijke – waaronder in dit geval mede wordt verstaan: een voldoende door objectieve feiten ingegeven – motivering.
5.6.
Gelet op het vorenstaande, waaruit blijkt dat beide dragende argumenten als genoemd onder 5.3 (punten 2 en 3 in het voornemen) gebrekkig zijn gemotiveerd en voorbereid, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiseres een liefdesrelatie heeft met [persoon A] . De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Het overgebleven argument
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het overgebleven argument van verweerder, te weten dat eiseres met haar verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt wat er ten opzichte van de vorige asielprocedure is veranderd (zie overweging 5.1; punt 1 in het voornemen), op zichzelf onvoldoende is om verweerders standpunt te dragen dat de verklaringen van eiseres over haar lesbische geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en daarom ongeloofwaardig zijn. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de gebrekkige motivering op het punt van de ‘relatie met [persoon A] ’ (zie 5.6.) de motivering van het integrale geloofwaardigheidsstandpunt van verweerder aantast. Zoals onder 5.2.1 is weergegeven, moeten de in WI 2019/17 genoemde thema’s, waaronder het thema ‘relaties’, namelijk uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld en kan de vreemdeling ontoereikende verklaringen over het ene thema compenseren met toereikende verklaringen over het andere thema. Het hebben van een geloofwaardige relatie – waarvan verweerder dus ondeugdelijk gemotiveerd heeft gesteld dat daarvan geen sprake is – kan dus van wezenlijk belang zijn voor de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.
Horen van [persoon A]
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat het zwaartepunt in deze zaak door verweerder is gelegd bij de gestelde liefdesrelatie van eiseres met [persoon A] en dat eiseres wel degelijk verklaringen heeft afgelegd die indicatief zijn voor het bestaan van een liefdesrelatie, hetgeen door verweerder niet is onderkend. Gelet hierop en nu het gaat om een liefdesrelatie die naar gesteld inmiddels zeven jaar voortduurt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, mede gelet op de samenwerkingsplicht, meer onderzoek had moeten verrichten naar die gestelde relatie dan hij heeft gedaan, bijvoorbeeld door [persoon A] te horen, al dan niet simultaan met eiseres, zoals door eiseres al was voorgesteld in de zienswijze. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom dergelijk nader onderzoek, dat ook volgens verweerders eigen WI 2019/17 mogelijk is (zie 5.2.2.), niet is verricht. Die hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt eveneens.
Slotsom
5.9.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde lesbische geaardheid van eiseres ongeloofwaardig is.
Beroepsgrond over WI 2024/6
6. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de vraag of WI 2024/6 in het algemeen en de toepassing daarvan in deze zaak in het bijzonder in strijd is met het Unierecht, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2401, r.o. 1.1.). Deze beroepsgrond laat de rechtbank daarom onbesproken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder voormelde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om de geloofwaardigheid van de gestelde lesbische geaardheid van eiseres te beoordelen en die beoordeling deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van twaalf weken. Daarbij merkt de rechtbank op dat het haar niet onverstandig voorkomt om [persoon A] , al dan niet simulaan met eiseres, te horen over de gestelde relatie.
9. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.