ECLI:NL:RBDHA:2026:17558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13672
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15c KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:108d Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syrië wegens onvoldoende motivering humanitaire omstandigheden

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep waarbij eiser stelde dat de afwijzing onvoldoende rekening hield met zijn individuele situatie en de actuele humanitaire omstandigheden in Syrië.

De rechtbank oordeelde dat de minister het tweede asielmotief, gerelateerd aan een conflict met een leider van het Vrije Syrische Leger, terecht niet geloofwaardig achtte vanwege het ontbreken van bewijs en het feit dat eiser nog twee maanden in Syrië verbleef na het incident. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het niveau van willekeurig geweld in Syrië relatief laag was, omdat actuele informatie over humanitaire omstandigheden niet was betrokken.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege dit motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de minister in het verweerschrift alsnog een deugdelijke motivering gaf. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro door de humanitaire situatie. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13672

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Sulleyman als tolk. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser heeft verklaard dat hij een auto heeft verkocht aan [naam], een leider in het Vrije Syrische Leger (VSL). De vrouw en dochter van [naam] zijn verongelukt met deze auto en eiser heeft daarvan de schuld gekregen. [naam] heeft het gerucht verspreidt dat eiser bij Assad’s knokploegen hoorde en chips of trackers plaatste bij het VSL. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië opgepakt en gedood te worden. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de reservistendienst. Eiser werd opgeroepen om in het leger te dienen en hij vreesde niet meer terug te komen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1) identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) problemen met [naam]. Verweerder heeft het eerste asielmotief wel geloofwaardig geacht en het tweede asielmotief niet.
3.1.
Verweerder acht het tweede asielmotief niet geloofwaardig, omdat eiser zijn aanvraag niet met documenten heeft gestaafd, terwijl hij daarvoor wel de mogelijkheid had. Zo heeft eiser geen aangifte overgelegd. Daarnaast acht verweerder niet geloofwaardig dat [naam] eiser aanviel, maar vertrok zonder eiser te hebben gedood. Na de aanval van [naam] op eiser, is eiser bovendien nog twee maanden in Syrië gebleven. Ook weegt verweerder mee dat eiser bij het aanmeldgehoor heeft verklaard te zijn vertrokken vanwege de oproep voor de reservistendienst. Eiser vertelt niet over de problemen met [naam]. Verder zijn er geen concrete aanwijzingen dat eiser gesignaleerd staat. Over de ingediende foto’s overweegt verweerder dat hieruit niet kan worden opgemaakt wat eiser ermee wil bewijzen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder miskent dat de ruzie met [naam] niet alleen een persoonlijke vete is, maar ook een politieke dimensie heeft vanwege de aard van de beschuldigingen. Eiser wordt namelijk een politieke positie toegedicht die ernstige gevolgen heeft als hij naar Syrië terugkeert. Over het ontbreken van een aangifte voert eiser aan dat deze uitsluitend via een advocaat verkregen had kunnen worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Problemen met [naam]
5. Op grond van artikel 3:108d, vijfde lid van het Vb zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, zullen bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven niet worden betrokken, tenzij deze betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, andere zware strafbare feiten of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid. Verweerder heeft daarom ten onrechte tegengeworpen dat eiser tijdens het aanmeldgehoor niets heeft verklaard over [naam].
5.1.
Dat neemt niet weg dat verweerder op goede gronden heeft tegengeworpen dat eiser geen kopie van een aangifte heeft overgelegd. Daarbij is van belang dat eiser zich kon wenden tot de veiligheidsstructuren waar hij eveneens aangifte heeft gedaan. Zoals verweerder in het voornemen terecht opmerkt is de asielaanvraag van eiser van 6 februari 2024 en was Assad nog aan de macht tot 8 december 2024. De politie stond lang na de aanvraag nog onder controle van Assad. Daarnaast heeft verweerder ook terecht tegengeworpen dat eiser nog twee maanden in Syrië verbleef voordat hij vertrok. Daarbij is niet gebleken dat eiser ondertussen was ondergedoken. Ten derde zijn er geen aanknopingspunten dat eiser gesignaleerd staat of dat [naam] de rang heeft om eiser te laten signaleren. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de problemen met [naam] terecht niet geloofwaardig gevonden.
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
6. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [1]
6.1.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [2] De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [3] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [4]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [5] nu de in het besluit verrichte ‘15c beoordeling’ [6] niet volledig is omdat verweerder bij deze beoordeling heeft nagelaten om de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken. [7]
8. Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft dat in de zienswijze en in de gronden van beroep bestreden onder verwijzing naar openbare bronnen. Verweerder is hier geheel aan voorbij gegaan. Gelet hierop is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het besluit vernietigen. Gelet op het volgende zie de rechtbank aanleiding om de gevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
8.1.
In het verweerschrift heeft verweerder alsnog de actuele informatie over Syrië betrokken. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht, komt eiser niet langer op tegen de beoordeling van verweerder over de algemene situatie in [plaats]. Wel stelt hij zich op het standpunt de humanitaire omstandigheden en de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende zijn betrokken in die beoordeling.
humanitaire omstandigheden
9. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [8] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [9] Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
Individuele omstandigheden
10. Eiser heeft als individuele omstandigheden aangevoerd dat hij lang weg is geweest uit Syrië en geen sociaal netwerk heeft bij terugkeer. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat eiser een gezonde man is van 38 jaar oud die van 1988 tot en met 2015 in [plaats] heeft gewoond. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser aangehaalde omstandigheden tegen deze achtergrond onvoldoende zwaar wegen om aannemelijk te vinden dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij een groter risico loopt omdat hij gesignaleerd staat en langs controleposten moet. Maar omdat de problemen met [naam], en de daaruit volgende toegedichte politieke overtuiging, niet geloofwaardig zijn, kan ook dit betoog niet slagen. Eiser heeft overigens ook niet duidelijk gemaakt waarom deze omstandigheden het risico op willekeurig geweld zouden verhogen.
Artikel 3 EVRM Pro
11. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15c Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. [10] Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM Pro verwijzen naar de motivering van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, en vice versa.
11.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. Bij de beoordeling van dat beroep is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:
1) In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden
wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalatenvan een overheid of niet-overheidsactor
2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden
niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalatenvan een overheid of niet-overheidsactor.
11.2.
Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers
‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in
‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’.Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake zal zijn van strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden. De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen. Dit motiveringsgebrek is met de aanvullende motivering in het verweerschrift voldoende hersteld waardoor de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand zal laten. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het verweerschrift namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in Syrië. Dat verweerder de humanitaire omstandigheden slechts marginaal heeft betrokken bij de beoordeling van het risico op ernstige schade, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij al langer weg is en geen netwerk in [plaats] heeft. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of van de ‘zwaardere’ of ‘lichtere’ toets wordt uitgegaan. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder erop heeft gewezen dat eiser een gezonde man van 38 jaar oud is die van 1988 tot en met 2015, dus een groot deel van zijn leven, in [plaats] heeft gewoond. Verweerder heeft daarnaast gewezen op informatie van het IOM waaruit volgt dat de omstandigheden in [plaats] relatief geschikt zijn voor terugkeer. [11]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de schriftelijke aanvullende motivering van het verweerschrift alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven.
13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
2.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
4.Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
5.Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
6.Beoordeling in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn, richtlijn 2011/95/EU.
7.Zie de uitspraak van 17 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10838.
8.Zie ook de uitspraak van 23 februari 2026, noot 11, r.o. 7.3.
9.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
10.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
11.Zie pagina 3 en 23 van het rapport