ECLI:NL:RBDHA:2026:17560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13671
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag Syriër wegens ondeugdelijke motivering

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar op grond van afvalligheid van de islam en een reëel risico op willekeurig geweld.

De rechtbank oordeelt dat de minister het risico op vervolging vanwege afvalligheid terecht niet aannemelijk achtte, mede gelet op het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Wel constateert de rechtbank dat de motivering omtrent het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro door humanitaire omstandigheden onvoldoende was, maar dat dit motiveringsgebrek met het verweerschrift is hersteld.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege de aanvankelijke ondeugdelijke motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de aanvullende motivering voldoende is. Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13671

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Sulleyman als tolk. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Syrische nationaliteit te zijn en is geboren op [geboortedatum] 1985. Hij vreest in Syrië te worden vervolgd door de overheid en de samenleving vanwege zijn gebrek aan religieuze overtuiging. Eiser consumeert bijvoorbeeld alcohol en hij wil graag dat zijn kinderen gaan studeren en piloot of ingenieur worden. Hij ligt hierdoor in scheiding met zijn conservatieve(re) vrouw.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1) identiteit, nationaliteit en herkomst en 2) afvalligheid van de islam. Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht.
3.1.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de vrees van eiser niet aannemelijk is. Volgens het Algemeen ambtsbericht (AAB) over Syrië van januari 2026 zijn er in Syrië relatief veel moslims die hun geloof niet of nauwelijks praktiseerden. Dat er in deze context geen enkele melding is gemaakt van vervolging op grond van (toegedichte) afvalligheid, is daarom reden om in het landenbeleid (toegedichte) afvalligen niet aan te merken als een groep die te maken krijgt met groepsvervolging en overigens ook niet als een risicoprofiel. Verder wordt door verweerder ten aanzien van Syrië een lager niveau van willekeurig geweld aangenomen, waardoor er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld verhogen om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft een onjuiste maatstaf toegepast bij het beoordelen van het tweede asielmotief. De vraag is of van eiser verlangd mag worden dat hij zijn ongeloof verbergt. Daarnaast heeft eiser al gevolgen ondervonden van zijn ongeloof. Zijn vrouw wil van hem scheiden en het contact met zijn kinderen is beperkt. Daar komt bij dat effectieve bescherming tegen vervolging door niet-statelijke actoren in Syrië ontbreekt.
4.1.
Ten aanzien van 15c voert eiser aan dat op hem risico-verhogende factoren van toepassing zijn. Eiser is sinds 2013 in Europa, heeft geen steunnetwerk en maakte voor de oorlog deel uit van de Syrische Republikeinse Garde. Daarnaast blijft Aleppo gefragmenteerd en is van duurzame stabiliteit geen sprake. Verder is terugkeer in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. 90% van de bevolking leeft in armoede en geldt voor de helft van de bevolking dat sprake is van voedselonzekerheid. Elektriciteit en water zijn ernstig ontregeld en eiser keert terug in een land zonder beschermend netwerk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Afvalligheid
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn afvalligheid. Dat eiser in scheiding ligt en zijn kinderen maar beperkt ziet, grijpt in grote mate in op zijn dagelijks leven, maar is onvoldoende om te spreken van vervolging. Daarnaast is ook niet gebleken van concrete dreigementen van familie of kennissen. Verder is evenmin gebleken dat eiser in algemene zin te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn afvalligheid. Eiser bidt niet, vast niet, gaat niet naar de moskee en drinkt bovendien alcohol. Dat hij hier terughoudend in zou moeten zijn, is niet gebleken. Verweerder wijst er terecht op dat uit het AAB van januari 2026 over Syrië blijkt dat het niet praktiseren van de islam doorgaans niet leidt tot problemen met de overgangsregering. [1]
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
6. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [2]
6.1.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [3] De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [4] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [5]
7. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht, komt eiser niet op tegen de beoordeling van verweerder over de algemene situatie in Aleppo. Wel stelt hij zich op het standpunt de humanitaire omstandigheden en de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende zijn betrokken in die beoordeling.
Humanitaire omstandigheden
8. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. [6] Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. [7] Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
Individuele omstandigheden
9. Eiser heeft als individuele omstandigheden aangevoerd dat hij lang weg is geweest uit Syrië en geen sociaal netwerk heeft bij terugkeer. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat eiser een gezonde man is van 40 jaar oud die van 1985 tot en met 2013, dus een groot deel van zijn leven, in Aleppo heeft gewoond. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser aangehaalde omstandigheden tegen deze achtergrond onvoldoende zwaar wegen om aannemelijk te vinden dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ten aanzien van eisers afvalligheid verwijst de rechtbank naar het oordeel onder rechtsoverweging 5. Zoals ter zitting ook besproken, zijn er overigens ook geen aanknopingspunten dat deze omstandigheid een verhoogd risico op willekeurig geweld met zich brengt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser bij de Garde heeft gediend. Tot slot heeft verweerder terecht betrokken dat eisers zelf ook heeft verklaard dat het willekeurig geweld niet als een bedreiging moet worden gezien die terugkeer naar Syrië belemmert. [8]
Artikel 3 EVRM Pro
10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15c Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. [9] Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM Pro verwijzen naar de motivering van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, en vice versa.
10.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. Bij de beoordeling van dat beroep is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:
1) In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden
wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalatenvan een overheid of niet-overheidsactor
2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden
niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalatenvan een overheid of niet-overheidsactor.
10.2.
Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers
‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in
‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’.Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake zal zijn van strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden. De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen. Dit motiveringsgebrek is met de aanvullende motivering in het verweerschrift voldoende hersteld waardoor de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand zal laten. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het verweerschrift namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in Syrië. Dat verweerder de humanitaire omstandigheden slechts marginaal heeft betrokken bij de beoordeling van het risico op ernstige schade, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij al langer weg is en geen netwerk in Aleppo heeft. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of van de ‘zwaardere’ of ‘lichtere’ toets wordt uitgegaan. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder erop heeft gewezen dat eiser een gezonde man van 40 jaar oud is die van 1985 tot en met 2013, dus een groot deel van zijn leven, in Aleppo heeft gewoond. Verweerder heeft daarnaast gewezen op informatie van het IOM waaruit volgt dat de omstandigheden in Aleppo relatief geschikt zijn voor terugkeer. [10]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de schriftelijke aanvullende motivering van het verweerschrift alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven.
12. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemeen Ambtsbericht over Syrië, januari 2026, bladzijde 107 en bladzijde 10, paragrafen 3.1.2 en 3.1.3.
2.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
3.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
5.Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
6.Zie ook de uitspraak van 23 februari 2026, noot 11, r.o. 7.3.
7.EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
8.Nader gehoor, bladzijde 20.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
10.Zie pagina 3 en 23 van het rapport