ECLI:NL:RBDHA:2026:17561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 lid 3 VwArt. 50a lid 1 VwArt. 62c lid 4 VwArt. 5.3 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op 20 mei 2026 door verweerder is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 behandeld en het onderzoek op 4 juni 2026 gesloten na nadere informatie van verweerder.

Eiser stelde dat zijn recht om ter zitting te worden gehoord was geschonden omdat hij op het moment van de zitting naar de luchthaven werd vervoerd voor een geplande overdracht. De rechtbank oordeelde dat het recht om te worden gehoord fundamenteel is maar niet absoluut, en dat de beperking in dit geval evenredig was gezien de omstandigheden, waaronder de planning van de vlucht en het feit dat eiser werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

Verder betoogde eiser dat de ophouding op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd, maar de rechtbank stelde vast dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het rechtmatig verblijf van eiser was geëindigd door vertrek met onbekende bestemming.

Ten slotte voerde eiser aan dat de elektronische handtekening van de maatregel van bewaring niet geverifieerd kon worden, maar de rechtbank volgde verweerder dat de handtekening rechtsgeldig was ondertekend en gevalideerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29434

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft op 3 juni 2026 het onderzoek heropend en verweerder om nadere informatie verzocht. Verweerder heeft hierop gereageerd. Eiser heeft hier, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 4 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

Het recht om ter zitting te worden gehoord
1. Eiser betoogt dat zijn recht om op zitting te worden gehoord is geschonden. Ten tijde van de zitting was hij naar de luchthaven vervoerd in verband met zijn geplande overdracht en hij heeft geen afstandsverklaring ondertekend. Van verweerder had mogen worden verwacht in ieder geval te onderzoeken of de overdracht kon worden uitgesteld zodat eiser ter zitting had kunnen worden gehoord. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2296. Daarnaast had verweerder er voor kunnen kiezen om eiser op de zitting te horen en hem vervolgens naar de luchthaven te vervoeren. Volgens eiser was daar voldoende tijd voor.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86, volgt dat het recht om te worden gehoord een fundamenteel onderdeel vormt van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Volgens de Afdeling is dit recht, hoewel fundamenteel van aard, echter niet absoluut en kan het onder omstandigheden worden beperkt. Een dergelijke beperking moet wel evenredig zijn en mag de kern van het recht niet aantasten. Of op verweerder de verplichting rust om alternatieven te onderzoeken zodat een vreemdeling bij een zitting aanwezig kan zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval.
1.2.
De rechtbank stelt vast dat de zaak van eiser om 10.40 uur op zitting zou worden behandeld en dat de vlucht om eiser naar Kroatië over te dragen diezelfde dag om 14.35 was gepland. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser op dat moment met het gedetineerdentransport naar de luchthaven is vervoerd en dat eiser geen afstandsverklaring heeft getekend. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86. Hierbij is van belang dat er meerdere organisaties betrokken zijn bij de overdracht. Een verwijdering per vliegtuig biedt weinig flexibiliteit, aangezien verweerder afhankelijk is van de vertrektijden van een commerciële vlucht. Een verwijdering per vliegtuig vergt op de dag van verwijdering veel voorbereidingshandelingen en deze handelingen vertonen een nauwe samenhang in die zin dat een vertraging in een van de handelingen onmiddellijk gevolgen heeft voor de vervolghandelingen (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86, onder 3.3.). Ten aanzien van de stelling dat de overdracht had kunnen worden uitgesteld zodat eiser kon worden gehoord op de zitting, heeft verweerder er terecht op gewezen dat ook van belang is dat vrijheidsbeneming zo kort mogelijk dient te duren. Verder is van belang dat (de gemachtigde van) eiser er sinds 26 mei 2026 van op de hoogte was dat de geplande zitting en de voorgenomen vlucht op dezelfde dag vielen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3939, volgt dat van eiser mag worden verwacht dat hij tegenover de rechtbank een beroep doet op zijn recht om te worden gehoord op het moment, of kort daarna, dat hij erachter komt dat de zitting en de vlucht op dezelfde dag zijn gepland. In onderhavige zaak heeft eiser pas ter zitting een beroep gedaan op zijn recht om te worden gehoord. Hierdoor was het niet meer mogelijk om een andere oplossing te vinden. Gelet op het voorgaande, is de beperking van het recht om te worden gehoord in het geval van eiser evenredig. Tot slot dient in de toelaatbaarheid van de beperking te worden meegewogen dat eiser in deze procedure is vertegenwoordigd door een gemachtigde, dat deze op de zitting aanwezig was en daar namens eiser de beroepsgronden heeft kunnen toelichten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kern van het recht om te worden gehoord in dit geval niet is aangetast door de beperking. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag ophouding
2. Eiser betoogt dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is namelijk opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, maar dit had artikel 50a, eerste lid, van de Vw moeten zijn. De belangenafweging die de rechtbank wegens dit gebrek moet maken dient in het voordeel van eiser uit te vallen.
2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 62c, vierde lid, van de Vw eindigt het rechtmatig verblijf van een Dublinclaimant van rechtswege wanneer hij met onbekende bestemming vertrekt. Niet in geschil is dat eiser op 28 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers rechtmatig verblijf door met onbekende bestemming te vertrekken uit de opvanglocatie is geëindigd. De omstandigheid dat eiser zich op 8 mei 2026 opnieuw bij het COA heeft gemeld voor opvang, maakt dit niet anders. Ingevolge de hiervoor genoemde uitspraak herleeft dit rechtmatig verblijf niet indien de vreemdeling zich nadien opnieuw bij de opvanglocatie meldt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet langer over rechtmatig verblijf als Dublinclaimant beschikte, zodat de staandehouding terecht op artikel 50, derde lid, van de Vw is gebaseerd. Nu de rechtbank geen gebrek heeft geconstateerd, behoeft geen belangenafweging te worden gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Elektronische handtekening van de maatregel van bewaring
3. Eiser betoogt dat de elektronische handtekening van de maatregel van bewaring niet geverifieerd kan worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het scherm getoond van de maatregel van bewaring waarop de ondertekenaar is vermeld. Op het scherm is vermeld dat het document wijzigingen bevat die zijn toegestaan en dat de identiteit van de ondertekenaar niet kan worden geverifieerd. Verder is vermeld dat het certificaat van de ondertekenaar en de bovenliggende certificaten niet zijn gevonden in de winkel voor vertrouwde certificaten
.Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser een screenshot geüpload in het digitale dossier. Volgens eiser kan dan ook niet worden gecheckt of de maatregel is opgelegd door een bevoegd persoon en is deze niet rechtsgeldig.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Na de zitting heeft verweerder toegelicht dat zowel tijdens de voorbereiding als na afloop van de zitting de handtekening van de uitvoerend ambtenaar is gevalideerd. Een screenshot is als bijlage meegestuurd. Hierop is vermeld de datum en het tijdstip van ondertekening, de naam van de ondertekenaar en de vermelding dat de handtekening geldig is en dat het document na ondertekening niet gewijzigd is. Eiser heeft hier, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet op gereageerd. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat uit de maatregel en screenshot blijkt dat de handtekening bevoegd is opgemaakt en de maatregel rechtsgeldig is ondertekend ingevolge artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.