ECLI:NL:RBDHA:2026:17567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52603
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens motiveringsgebrek

Eiser diende een opvolgende asielaanvraag in na eerdere afwijzing van zijn eerste aanvraag. Hij baseerde zijn nieuwe aanvraag mede op een iMMO-rapport dat medische beperkingen vaststelde die zijn verklaringen tijdens de asielprocedure beïnvloedden.

De minister achtte het asielmotief identiteit geloofwaardig, maar het motief met betrekking tot mishandeling en vervolging door een generaal ongeloofwaardig, mede omdat het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk was en geen aanleiding gaf tot nader medisch onderzoek. De rechtbank oordeelde dat het iMMO-rapport onvoldoende specifiek was toegespitst op eiser om de minister te verplichten een medisch deskundige te raadplegen.

De rechtbank stelde vast dat het besluit een motiveringsgebrek bevatte omdat de minister niet had ingegaan op de mate van bevreemdingwekkendheid van de verklaringen en onterecht andere oorzaken voor de littekens had genoemd. Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat de minister het gebrek in beroep deugdelijk had gemotiveerd.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het gehoor in de opvolgende procedure zorgvuldig was afgenomen, ondanks de medische beperkingen van eiser. De kosten van het iMMO-rapport worden niet vergoed omdat eiser niet aannemelijk maakte dat het rapport niet eerder kon worden ingediend.

De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het gegrond verklaren van het beroep.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de minister het gebrek in beroep heeft hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser [1]
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. Wel bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank laat de rechtgevolgen van het besluit in stand, omdat de minister het gebrek in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 september 2020 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1
Bij besluit van 15 september 2020 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingediende beroep is door de rechtbank en zittingsplaats Den Haag, bij uitspraak van 5 maart 2021 ongegrond verklaard. [2]
2.2
Eiser heeft op 15 juli 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.52604), op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vorige aanvraag
3. Eiser heeft eerder op 15 september 2020 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat de Fula bevolkingsgroep, waartoe eiser behoort, in Guinee wordt gediscrimineerd. Ook legt hij aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is mishandeld als gevolg van de aangifte tegen generaal [naam] (generaal). De vader van eiser is ten onrechte beschuldigd van de dood op een politieagent en kwam in de gevangenis te overlijden als gevolg van een slechte behandeling. Eiser houdt de generaal, als hoofd van de Gendarmerie, hiervoor verantwoordelijk en deed aangifte. Op 18 december 2015 kwamen vier agenten langs bij de winkel van eiser. Eiser en zijn zwangere vrouw zijn hierbij mishandeld en de vrouw van eiser is uiteindelijk overleden aan haar verwondingen. Eiser heeft daarna Guinee verlaten en hij vreest om door de generaal gezocht te worden.
3.1.
De minister heeft de eerste asielaanvraag, met het besluit van 25 januari 2021, afgewezen omdat het laatste relevante element, de mishandeling als gevolg van aangifte tegen de generaal, ongeloofwaardig is geacht. De geloofwaardig geachte asielmotieven, identiteit, nationaliteit en herkomst en discriminatie vanwege eisers Fula-etniciteit, maakten evenmin dat aan eiser een verblijfsvergunning werd toegekend. Uit de verklaringen van eiser volgde namelijk niet dat hij kon worden aangemerkt als vluchteling of dat hij bij terugkeer een reëel risico zou lopen op ernstige schade. Dat besluit staat met de uitspraak van rechtbank Den Haag, deze zittingsplaats, van 5 maart 2021 [3] in rechte vast.
Huidige aanvraag
4. Op 15 juli 2024 heeft eiser de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Guinese nationaliteit heeft, is geboren op [geboortedag] 1995 en behoort tot de Fula-bevolkingsgroep. In zijn vorige asielprocedure heeft eiser aangegeven dat hij problemen heeft ondervonden met de autoriteiten. Zijn vader werd in 2013 opgepakt en onterecht beschuldigd van het doden van een politieagent. De vader van eiser kwam in de gevangenis te overlijden. Eiser houdt de generaal verantwoordelijk voor het overlijden van zijn vader. Hij heeft in 2015 aangifte tegen hem gedaan. Daarna zijn er vier agenten naar de winkel van eiser gekomen en hebben daar eiser en zijn vrouw mishandeld. De vrouw van eiser is hierdoor overleden. Eiser heeft hierna Guinee verlaten omdat hij vreest voor de generaal.
4.1
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek van 11 juni 2024 (iMMO) overgelegd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen met de generaal.
5.1
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dit is in de vorige procedure in rechte vast komen te staan en er bestaat geen reden om hier nu anders over te oordelen. De problemen met de generaal acht de minister nog altijd ongeloofwaardig. De ongeloofwaardigheid van dit asielmotief is in de vorige procedure ook in rechte vast komen te staan. De minister ziet in het overgelegde iMMO-rapport geen aanleiding om hier in de opvolgende aanvraag een ander standpunt over in te nemen. Het geloofwaardige asielmotief maakt niet dat de minister eiser aanmerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat wordt aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Guinee komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een reëel risico te lopen op ernstige schade.
Omvang van het geding
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de opvolgende aanvraag sprake is van een nieuw en relevant element, namelijk het iMMO-rapport. De opvolgende aanvraag is daarom inhoudelijk in behandeling genomen, maar door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond.
6.1.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser bij het indienen van zijn opvolgende aanvraag middels het M35-O formulier, ook een begeleidende brief heeft gezonden. In deze begeleidende brief van 11 juli 2024 heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat ook wordt verzocht om heroverweging van het eerder genomen besluit van 27 januari 2021. Dat is het besluit in eisers eerste asielaanvraag waarbij zijn aanvraag is afgewezen. De rechtbank constateert dat de minister in het voornemen en het bestreden besluit in de onderhavige procedure, geen heroverweging van het besluit van 27 januari 2021 heeft gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft hier in beroep echter geen gronden tegen gericht en ook op de zitting is hier niets tegen aangevoerd of over opgemerkt. De rechtbank stelt daarom vast dat evenmin in geschil is dat het besluit van 27 januari 2021 met de uitspraak van deze rechtbank van 5 maart 2021 in rechte is vast komen te staan.
De beroepsgronden
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte de conclusies uit het iMMO-rapport, hetgeen een deskundigenbericht is, terzijde heeft geschoven zonder medisch tegenonderzoek. Volgens eiser biedt het rapport ondersteunend bewijs voor zijn asielrelaas en blijkt uit het rapport dat zijn medische omstandigheden zeer waarschijnlijk van invloed zijn geweest op zijn mogelijkheid om te verklaren. Eiser betoogt voorts dat de besluitvorming in zijn eerste asielprocedure onzorgvuldig is geweest. De destijds afgenomen gehoren zijn namelijk niet zorgvuldig voorbereid en afgenomen. Eiser is ten onrechte niet medisch onderzocht voorafgaand aan het afnemen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor. Eiser heeft op de vraag van de minister tijdens het aanmeldgehoor of hij akkoord was met het achterwege laten van een Medifirst-onderzoek weliswaar bevestigend geantwoord, maar uit het iMMO-rapport volgt dat eiser geen ziekte-inzicht heeft en dus ook niet in kan schatten of een Medifirst-onderzoek nodig was. Daarnaast zijn de gehoren afgenomen via een videoverbinding, maar dit was gezien eisers medische beperkingen geen goede manier om hem te horen. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft hier weliswaar toestemming voor gegeven, maar ter zitting heeft eiser aangevoerd dat een gemachtigde geen medicus is, zodat dit achteraf, met de kennis en wetenschap van het iMMO-rapport, niet voor rekening en risico van eiser (en zijn gemachtigde) kan komen. Daarnaast betoogt eiser dat de minister tijdens het afnemen van de gehoren en in de besluitvorming van de eerste asielprocedure onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader gelet op de beperkingen zoals die volgen uit het iMMO-rapport. Tot slot betoogt eiser dat dat het gehoor in het kader van de huidige aanvraag onzorgvuldig heeft plaatsgevonden: bij de vraagstelling in het gehoor opvolgende aanvraag is geen rekening gehouden met de beperkingen die uit het iMMO-rapport volgen en het gehoor is vrij kort geweest.
7.1
De rechtbank zal eerst beoordelen of de minister aan het door eiser overgelegde iMMO-rapport had mogen voorbijgaan zonder een medisch deskundige te horen.
Moet de minister het iMMO-rapport betrekken bij zijn beoordeling?
8. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie uit het iMMO-rapport, inhoudende dat de bij eiser geconstateerde psychische en lichamelijke problematiek beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren zeker hebben geïnterfereerd met het verhogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, niet inzichtelijk is. De minister wijst ter onderbouwing van dat standpunt op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2025 [4] waarin over een ander iMMO-rapport is overwogen dat de in dit rapport gedane vaststellingen, gevolgde redeneringen en getrokken conclusies niet steeds in overeenstemming zijn met de actuele wetenschappelijke inzichten en de eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld. Daarnaast overweegt de Afdeling dat onvoldoende inzichtelijk is dat de in dat rapport opgenomen conclusie dat de geconstateerde psychische/lichamelijke problematiek van de vreemdeling beperkingen gaf die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Volgens de minister kleven aan het iMMO-rapport dat in deze zaak voorligt dezelfde gebreken en kan het rapport de daarin getrokken conclusie niet dragen. De minister concludeert dat het iMMO-rapport van 11 juni 2024 geen aanleiding geeft om te concluderen dat eiser in zijn afgenomen asielgehoren ten gevolge van medische problematiek niet in staat was om volledig, coherent en consistent te verklaren. Voorts heeft de minister zich ten aanzien van de conclusie uit het rapport dat de littekens en fysieke klachten van eiser zeer consistent of consistent zijn met zijn verklaringen, op het standpunt gesteld dat conclusie (‘zeer consistent’ en ‘consistent’) ruimte laat voor andere oorzaken voor zijn littekens en fysieke klachten. Het iMMO-rapport geeft daarom geen aanleiding om het eerder ongeloofwaardig bevonden asielmotief alsnog geloofwaardig te achten.
Het juridisch kader
9. Een iMMO-rapport is een deskundigenrapport. Wanneer een vreemdeling in de bestuurlijke fase, dan wel binnen de grenzen van de goede procesorde in de beroepsfase, een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de minister de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling. Als in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de medische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan de minister hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. [5]
9.1.
Het iMMO stelt zijn rapporten op aan de hand van een vaste vraagstelling, onderverdeeld in een A1-, een A2- en een B-vraag. De A1- en de A2-vraag gaan over medisch steunbewijs. Daarbij komt aan de orde in welke mate de lichamelijke dan wel de psychische problematiek van de betrokken vreemdeling kan zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. De A1- en de A2-vraag zijn gebaseerd op het Istanbul Protocol (IP) en de daarin in paragraaf 187 opgenomen gradaties, die variëren van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. Vraag B van een iMMO-rapport gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Daarin beantwoordt het iMMO de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten van die vreemdeling op het moment van de asielgehoren zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, hebben beïnvloed. De mate waarin de psychische klachten kunnen interfereren bevindt zich tussen ‘niet’, ‘er zijn geen psychische problemen of de psychische problemen interfereren niet’ en ‘zeker, de psychische problemen zijn van dien aard en ernst dat ze zeker zullen interfereren’.
9.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 volgt – kort gezegd – dat als het iMMO bij de B-vraag tot de conclusie komt dat een medische problematiek zeker dan wel zeer waarschijnlijk interfereert met de mogelijkheid van een vreemdeling om volledig, coherent en consistent te verklaren, het iMMO dit oordeel op inzichtelijke wijze zal moeten baseren op een specifiek op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van het vermogen om te verklaren. Als dat het geval is, dan zal het iMMO inzichtelijk moeten maken waarom en in hoeverre de bij de vreemdeling geconstateerde klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis en waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over het asielrelaas. De betreffende iMMO-rapportage zal nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de medische problematiek concreet de werking van het geheugen van de vreemdeling, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed. [6] De bevindingen van de deskundige hebben geen betrekking op de beantwoording door het iMMO van de A1- en de A2-vraag. De bestaande rechtspraak van de Afdeling over de betekenis van het iMMO-rapport als medisch steunbewijs blijft dan ook ongewijzigd. [7]
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de conclusie uit het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk is. In het rapport is geconcludeerd dat de vastgestelde medische problematiek ‘zeer waarschijnlijk’ heeft geleid tot een interferentie met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren over haar asielrelaas. Verder stelt de minister zich, met de motivering op zitting, uiteindelijk terecht op het standpunt dat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de minister niet gehouden was nader medisch onderzoek te verrichten. De rechtbank licht dit oordeel hieronder toe.
Wat blijkt uit het iMMO-rapport?
10.1
De conclusie van het door eiser overgelegde iMMO-rapport ten aanzien van de psychische problematiek van eiser is als volgt. Ondanks de geconstateerde ernstige psychiatrische klachten bij eiser, is er onvoldoende specifieke informatie beschikbaar over de aard en inhoud van deze klachten, waardoor de causaliteit tussen de psychische problematiek en de wijze van ontstaan zoals gesteld in het asielrelaas, niet beoordeeld kan worden. Bij het lichamelijk onderzoek zijn drie littekens gezien die door eiser worden toegeschreven aan het gestelde geweld dat de aanleiding was voor zijn vlucht uit Guinee. Het litteken aan de slaap links wordt in het rapport beoordeeld als consistent met het gestelde geweld volgens de gradaties van het IP. Het litteken aan de linker heup wordt beoordeeld als zeer consistent met het gestelde geweld volgens het IP. Het litteken aan de rechter heup wordt beoordeeld als consistent met het gestelde geweld volgens het IP. Bij de beantwoording van de B-vraag staat dat er destijds geen Medifirst onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het gehoor omdat eiser hiervan geen gebruik heeft willen maken. Daarnaast wordt beschreven hoe de verschillende gehoren van eiser tijdens de asielprocedure zijn verlopen. Volgens het rapport is bij eiser duidelijk sprake van beperkte cognitieve vermogens, hetgeen ook naar voren komt uit de informatie van de door de minister afgenomen gehoren. De cognitieve vermogens kunnen mogelijk voortkomen uit PTSS-klachten, psychotische klachten, een depressie of als uiting van een sinds de kindertijd ontwikkelde verstandelijke beperking. Uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat er, wanneer er sprake is van een verstandelijke beperking, een groter risico is op problemen met verklaren. De verklaringen zijn bij aanwezigheid van een verstandelijke beperking meestal minder volledig en worden in grote mate beïnvloed door de gehanteerde ondervragingsmethode. Er is een risico op vervorming van het geheugen. Gesloten, complexe en sturende vragen, zonder dat er hulpmiddelen aanwezig zijn om zaken uit het geheugen op te halen, hebben een nadelig effect op mensen met een verstandelijke beperking. Tevens is er een verhoogde mate van instemming aangetoond bij ondervraagden met een verstandelijke beperking. Mensen met een verstandelijke beperking zullen liever een antwoord raden dan aangeven dat zij de verhoorder niet hebben begrepen, zo is bekend uit wetenschappelijk onderzoek. In de wetenschappelijke literatuur wordt beschreven dat mensen met een verstandelijke beperking betrouwbaar kunnen verklaren, mits zij op de juiste manier gehoord worden. Indien het bestaan van een verstandelijke beperking niet bekend is, kan dat als gevolg hebben dat er geen passende interviewtechnieken worden toegepast, welke in feite noodzakelijk zijn om tot een betrouwbare verklaring te komen. Bij eiser zou dit hebben kunnen leiden tot overvraging en overzichtsverlies tijdens de door de minister afgenomen gehoren. Dit effect zou versterkt kunnen zijn door de manier van horen, namelijk via beeldbellen. Onder het kopje “andere factoren die van invloed zijn geweest” staat dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat er sprake is van ernstig zorgmijdend gedrag bij eiser. De conclusie is dat de beperkingen in de cognitieve vermogens en het vermijdingsgedrag van eiser beperkingen hebben gegeven die ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.
B-vraag
10.2
De rechtbank oordeelt dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in de rapportage onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie dat de geconstateerde medische problematiek van eiserbeperkingen gaf die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, is gebaseerd op een individuele op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren.
10.3.
Hoewel het iMMO in zijn rapport [8] beschrijft welke medische klachten eiser had tijdens de asielgehoren maakt het iMMO niet inzichtelijk waarom en hoe de beperkingen in de cognitieve vermogens en het vermijdingsgedrag van eiser in zijn geval zeer waarschijnlijk hebben geleid tot een interventie met zijn vermogen om over zijn asielrelaas compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren. Ook wordt niet uitgelegd op basis van welke aanwijzingen dit is vastgesteld. Dit betekent dat de minister aan het antwoord op de B-vraag in het iMMO-rapport voorbij mocht gaan en zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mocht baseren op wat eiser tijdens de gehoren in de asielprocedure heeft verklaard. Ten aanzien van het betoog van eiser dat gelet op het iMMO-rapport de besluitvorming in zijn eerste asielprocedure onzorgvuldig is geweest en dat er toen geen rekening is gehouden met zijn referentiekader, oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op het feit dat de uitspraak van de rechtbank van 5 maart 2021 in de eerste procedure in rechte vast staat, hetgeen betekent dat de gehoren ten grondslag mochten worden gelegd aan het besluit, en het voorgaande oordeel van de rechtbank ten aanzien van het iMMO-rapport, slaagt het betoog van eiser niet.
A-vraag
10.4.
Zoals eerder overwogen blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 dat de rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van de A-vraag over de betekenis van het iMMO-rapport als medisch steunbewijs ongewijzigd is gebleven. Dat betekent dat als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel heeft veroorzaakt, is het, indien de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht, aan de minister om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. Hiertoe kan de minister gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot dergelijk onderzoek verplicht, is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in het beeld dat in betrouwbare algemene informatie naar voren komt over het land van herkomst. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is echter niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek. [9]
10.5.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit de uitleg van de begrippen zeer consistent en consistent in het IP naar voren komt dat deze conclusies van het iMMO niet uitsluiten dat aan de littekens ook andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen. Bij alle genoemde beoordelingen ten aanzien van de littekens zijn in het rapport immers ook alternatieve oorzaken genoemd. Nu de conclusies van het iMMO ruimte laten voor andere oorzaken voor het ontstaan van de littekens, geeft de inhoud van het iMMO-rapport geen aanleiding om het eerder ongeloofwaardig bevonden asielmotief alsnog geloofwaardig te achten. Eerder is al in rechte vast komen te staan dat het asielmotief ongeloofwaardig is en de conclusies in het iMMO-rapport zijn niet dusdanig sterk dat zij hier verandering in brengen, aldus de minister.
10.6.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat de besluitvorming van de minister op dit punt een motiveringsgebrek. Hoewel de minister conform de jurisprudentie van de Afdeling zoals onder 10.4 is weergegeven in dit kader terecht is ingegaan op de vraag hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is, is de minister niet ingegaan op de vraag in hoeverre eiser tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Voorts heeft de minister gesteld dat er ook andere oorzaken zijn voor de littekens, terwijl uit de jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek niet is vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 24 oktober 2025.
10.7.
De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft op zitting namelijk het besluit aanvullend deugdelijk gemotiveerd en naar voren gebracht dat in de eerste asielprocedure het asielmotief, dat eiser in deze procedure met het iMMO-rapport wil staven, ongeloofwaardig is geacht omdat eiser tijdens de gehoren vaag en tegenstrijdig heeft verklaard en er sprake is geweest van ongerijmd handelen. Daarnaast is van belang dat de kwalificatie die volgens het iMMO van toepassing is ook niet heel sterk: consistent en zeer consistent, in welk kader de overweging in het besluit is gemaakt dat er andere oorzaken aan de littekens ten grondslag kunnen liggen, zoals ook volgt uit het iMMO-rapport. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze aanvullende motivering zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de minister niet gehouden was nader medisch onderzoek te verrichten.
Is het gehoor opvolgende aanvraag onzorgvuldig afgenomen?
11. Eiser betoogt dat het gehoor opvolgende aanvraag onzorgvuldig is afgenomen omdat er bij de vraagstelling geen rekening is gehouden met de beperkingen die uit het iMMO-rapport volgen en het gehoor heel kort is geweest. Op de zitting betoogt de gemachtigde van eiser dat zij door de minister niet is geïnformeerd over en betrokken is bij de afname van het gehoor opvolgende aanvraag. Dit had gelet op de uitkomsten van het iMMO-rapport wel gemoeten. Gemachtigde heeft ten onrechte niet de mogelijkheid gehad om eiser op het gehoor opvolgende aanvraag voor te bereiden.
11.1.
De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat op 3 oktober 2025 een brief naar gemachtigde is gezonden waarin is aangekondigd dat een gehoor zou plaatsvinden, zodat hierover met de gemachtigde is gecommuniceerd. Ook is er een nieuw gehoor in de opvolgende procedure afgenomen waarbij eiser eerst medisch is gekeurd door medTadvies. Daarbij komt ook dat eiser in het gehoor opvolgende aanvraag de mogelijkheid had om aanvullingen te doen.
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheid dat eiser in het gehoor opvolgende aanvraag weinig inhoudelijk heeft verklaard en dat het gehoor kort is geweest, niet volgt dat het gehoor opvolgende aanvraag onzorgvuldig is afgenomen. Uit het adviesformulier medisch onderzoek van medTadvies van 27 mei 2025 volgt namelijk dat voorafgaand aan het afnemen van het gehoor opvolgende aanvraag is bekeken of eiser (medisch gezien) in staat was om gehoord te worden. De arts heeft vastgesteld dat eiser gehoord kan worden, maar dat er beperkingen zijn voor het horen. Eiser is alcohol- en drugsverslaafd en op het moment dat hij niet onder invloed is, is hij goed in staat om zijn verhaal te vertellen. Er zijn volgens de arts dan ook geen bijzonderheden waar rekening mee moet worden gehouden en eiser is geïnformeerd over de regels met betrekking tot het gebruik van middelen voorafgaand aan het afnemen van het gehoor opvolgende aanvraag. Hieruit volgt dat de minister in de opvolgende procedure heeft gekeken of eiser medisch in staat was om gehoord te worden, tijdens het gehoor is eiser de mogelijkheid geboden om een toelichting te geven op het iMMO-rapport en ook aan te geven waarvoor hij vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Dat eisers antwoorden op deze vragen kort waren, maakt niet dat de minister het gehoor niet zorgvuldig heeft afgenomen. Met de beperkingen uit het iMMO-rapport hoefde de minister verder geen rekening te houden gelet op de overweging onder 10.3. Voorts is op zitting gebleken dat de gemachtigde van eiser op de hoogte is gesteld van het geplande gehoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de minister de kosten van het iMMO-rapport vergoeden?
12. Eiser verzoekt de minister te veroordelen in de kosten van het iMMO-rapport.
12.1.
De minister stelt zich onder verwijzing naar het Informatiebericht (IB) 2025/4 op het standpunt dat de gemaakte kosten voor het iMMO-rapport niet voor vergoeding in aanmerking komen.
12.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister Informatiebericht (IB) 2025/4 als toetsingskader heeft gebruikt om tot de conclusie te komen dat de vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport dient te worden afgewezen. In dat IB is vermeld dat, indien een iMMO-rapport wordt ontvangen in een opvolgende aanvraag, doorgaans niet zal worden
overgegaan tot vergoeden van de kosten, ook niet indien het rapport een aandeel heeft in de uiteindelijke inwilliging van een aanvraag. Dit zal anders zijn als:
- de vreemdeling al in de eerste procedure om een iMMO-rapport heeft gevraagd,
maar dit nog niet beschikbaar was ten tijde van het besluit of de behandeling van de
zaak in beroep, en de minister en/of de rechtbank niet bereid was/waren de
besluitvorming of het beroep aan te houden in afwachting van dit rapport; of
- de vreemdeling feiten en omstandigheden naar voren brengt, op grond waarvan
redelijkerwijs niet van hem kon worden verwacht dit rapport eerder in te dienen.
Hierbij is er sprake van maatwerk. Bij maatwerk worden de merites van de
individuele zaak onderzocht. Hiervoor kunnen (per definitie) geen criteria worden
genoemd. In de beoordeling van de vraag of een iMMO-rapport voor vergoeding
in aanmerking komt, wordt bezien wat de reden is waarom de vreemdeling het
onderzoeksrapport naar eigen zeggen niet in de eerste procedure heeft overgelegd.
Indien deze situaties zich voordoen zal alsnog tot vergoeding van de kosten worden
overgegaan.
12.3.
De rechtbank constateert dat eiser in beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat niet redelijkerwijs van hem kon worden verwacht het iMMO-rapport al in een eerdere procedure in te dienen. De minister hoeft daarom niet tot vergoeding over te gaan van de kosten van het iMMO-rapport.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep van eiser tegen het besluit van 24 oktober 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd (zie daarvoor onder 10.6). De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. [10] Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 oktober 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank constateert dat eiser op de zitting naar voren heeft gebracht dat de volgorde van zijn namen moet worden omgedraaid, zijn voornaam is volgens eiser zijn achternaam. De rechtbank zal met betrekking tot eisers naam echter de schrijfwijze van de minister uit het bestreden besluit aanhouden.
2.Rb. Den Haag, zittingsplaats Den Haag, 5 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2138.
3.Rb. Den Haag, zittingsplaats Den Haag, 5 maart 2021, zaaknummer NL21.1567, ECLI:NL:RBDHA:2021:2138.
4.ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472.
5.ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018,2086.
6.Zie rechtsoverweging 11.1 van deze uitspraak.
7.Zie rechtsoverweging 12.
8.Hoofdstuk 7.
9.ABRVS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086, r.o. 9.1.
10.Artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).