ECLI:NL:RBDHA:2026:17574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.49392
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, onder c, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Eritrese vreemdeling wegens ongeloofwaardige identiteit en herkomst

Eiser, een Eritrese vreemdeling, diende op 14 oktober 2022 een asielaanvraag in met de stelling minderjarig te zijn en lid van de Tigrinja bevolkingsgroep. Verweerder wees de aanvraag op 7 oktober 2025 af wegens twijfel aan de identiteit, nationaliteit en herkomst, en legde een terugkeerbesluit en inreisverbod op.

Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte zijn leeftijd had vastgesteld op basis van een Italiaanse registratie uit 1999, terwijl hij beweerde in 2006 geboren te zijn. De rechtbank oordeelde dat de leeftijdsschouwen onvoldoende zorgvuldig waren, maar verweerder het vermoeden van minderjarigheid had ontzenuwd door het gewicht te geven aan de Italiaanse registratie en het ontbreken van overtuigend bewijs van minderjarigheid.

Daarnaast was eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt, mede door tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van authentieke documenten. Verweerder hoefde het asielmotief dienstplicht en illegale uitreis daarom niet te toetsen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit, waarbij eiser geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49392

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006, van Eritrese nationaliteit te zijn en te behoren tot de Tigrinja bevolkingsgroep. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is tijdens een razzia meegenomen voor de militaire dienstplicht. Hij heeft vier maanden een training gehad en is vervolgens op twee plekken gestationeerd geweest, eerst van juli tot oktober 2021 in Assab en daarna in Shambuko. Eiser is hiervandaan na drie weken samen met een vriend gevlucht. De reis was zowel met de motor als lopend en eiser heeft hier twee dagen over gedaan. Eiser is illegaal de grens met Soedan gepasseerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Dienstplicht en daaruit voortvloeiende illegale uitreis.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Omdat asielmotieven enkel betekenis hebben in het licht van de identiteit, nationaliteit en herkomst heeft verweerder het asielmotief ‘dienstplicht en daaruit voortvloeiende illegale uitreis’ niet getoetst op geloofwaardigheid. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Verweerder heeft eiser verder een terugkeerbesluit opgelegd, gericht op Eritrea of Ethiopië, en heeft tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
De beroepsgronden
5. Eiser betoogt, kort gezegd, dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006 en verweerder ten onrechte uitgaat van geboortedatum [geboortedatum 2] 1999. Volgens eiser heeft verweerder zijn leeftijd niet conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992) vastgesteld. Hij wijst er daarbij op dat de leeftijdsschouwen door de AVIM en verweerder niet deugdelijk zijn gemotiveerd en niet inzichtelijk zijn. Volgens eiser had verweerder een nader leeftijdsonderzoek moeten aanbieden. Eiser heeft in beroep een kopie van de identiteitskaarten van zijn ouders overgelegd. Hij wijst er verder op dat hij zelf geen identiteitskaart kan verstrekken, omdat hij nog geen 18 jaar was toen hij Eritrea verliet. Omdat verweerder het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze heeft weggenomen, had verweerder uit moeten gaan van eisers minderjarigheid. Verweerder heeft het asielmotief ‘dienstplicht en daaruit voortvloeiende illegale uitreis’ ook ten onrechte niet getoetst, aldus eiser.
De beoordeling van de beroepsgronden
Geboortedatum
6.1.
Omdat eiser bij het indienen van zijn asielaanvraag zijn gestelde minderjarige leeftijd niet heeft onderbouwd met authentieke identificerende documenten, is hij, overeenkomstig verweerders beleid, door medewerkers van de AVIM en de IND geschouwd. De AVIM is tot de conclusie gekomen dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. De IND heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is.
6.2.
In de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, is geoordeeld dat de leeftijdsschouw een bruikbaar middel is voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij is benadrukt dat het, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent.
6.3.
In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat de uitgevoerde schouwen niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn en de schouwen dus geen bruikbaar middel zijn om uitspraak te doen over de leeftijd van eiser. Verweerder mocht de leeftijdsschouwen daarom niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven.
6.4.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat verweerder met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3 en van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:327, onder 3.5. In dit geval heeft verweerder nader onderzoek gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Deze autoriteiten hebben bevestigd dat eiser in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 2] 1999.
6.5.
In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat verweerder niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als verweerder twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Verweerder moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden te ontzenuwen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet verweerder ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij doorslaggevend gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Italië. Uit het onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten volgt dat aan de daar geregistreerde geboortedatum van eiser geen brondocumenten of een medisch leeftijdsonderzoek ten grondslag liggen. De geregistreerde datum is daarmee gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser, zoals eiser ook heeft verklaard. Tijdens het aanmeldgehoor is eiser bevraagd over de omstandigheden waaronder de registratie in Italië tot stand is gekomen. Eiser stelt niet dat de Italiaanse autoriteiten zijn geboortedatum onjuist hebben geregistreerd, maar heeft toegelicht dat hij er bewust voor heeft gekozen om in Italië een onjuiste, meerderjarige, geboortedatum op te geven, omdat hij bang was om teruggestuurd te worden omdat minderjarigen zouden worden tegengehouden. Verweerder heeft dit een onvoldoende plausibele uitleg mogen vinden voor het in Nederland opgeven van een geboortedatum die afwijkt van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiser in Italië in een veilig land was waar hij om bescherming kon verzoeken. Verweerder heeft eiser in dit kader kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat hij de gestelde onjuiste registratie heeft geprobeerd aan te laten passen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk was. Eiser stelt dat hij de registratie ook niet wilde laten aanpassen, omdat hij dan alsnog in een gesloten opvanglocatie in Italië zou worden geplaatst, maar verweerder heeft dit onvoldoende mogen vinden. Verweerder werpt niet ten onrechte tegen dat eiser ook na zijn vertrek uit Italië geen poging heeft gedaan de leeftijdsregistratie in Italië te laten wijzigen.
6.7.
Verweerder heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om zelf aan documenten over zijn identiteit te komen. Hoewel de rechtbank eiser kan volgen in zijn standpunt dat gelet op de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2025 niet zonder meer duidelijk is of het in eisers omstandigheden kon worden verwacht dat hij een (family) residence card en identiteitsbewijs voor scholieren (de tassiera) had, heeft verweerder eiser wel kunnen tegenwerpen dat hij geen andere documenten die zien op zijn identiteit heeft overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij wel een schoolpas in zijn bezit heeft had, maar hij stelt dat hij dit document is kwijtgeraakt. Verweerder heeft dit geen verschoonbare reden voor het ontbreken van dit document hoeven vinden. Verder kan uit eisers verklaringen worden opgemaakt dat hij (inmiddels) in contact staat met zijn moeder in Eritrea. Hoewel eiser nu niet meer in Eritrea naar school gaat en het dus kan worden gevolgd dat zijn moeder geen schoolpas meer kan aanvragen, had eiser bijvoorbeeld wel aan zijn moeder kunnen vragen of zij bij zijn toenmalige school kon vragen om een verklaring dat hij daar naar school is geweest. Niet is gebleken dat eiser een dergelijke inspanning heeft geleverd om aan stukken te komen die iets kunnen zeggen over zijn identiteit.
6.8.
Eiser heeft in beroep wel kopieën van de identiteitsbewijzen van zijn (gestelde) moeder en overleden vader overgelegd. Verweerder heeft er echter op gewezen dat dit kopieën betreffen, zodat geen uitspraak kan worden gedaan over de authenticiteit van deze documenten. Bovendien kan eiser hier zijn eigen identiteit en nationaliteit niet mee onderbouwen, omdat met deze documenten niet wordt aangetoond dat de personen op de identiteitsbewijzen de ouders van eiser zijn. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geen bewijswaarde aan deze kopieën gehecht.
6.9.
Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser in het aanmeldgehoor enerzijds heeft verklaard dat hij nog geen 16 jaar oud is en hij nog een paar maanden te gaan heeft om 16 te worden, maar dat hij op de vraag of hij dus 15 jaar oud is heeft verklaard dat dit niet klopt en hij 16 jaar oud is. Deze verklaringen doen, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde geboortedatum.
6.10.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het vermoeden dat eiser minderjarig is, heeft ontzenuwd en terecht is uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 2] 1999. Verweerder heeft daarom geen medisch leeftijdsonderzoek hoeven aanbieden.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
7.1.
De rechtbank overweegt verder dat eiser ook overigens zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met stukken heeft onderbouwd, terwijl hij (inmiddels) kennelijk wel met zijn moeder in contact staat die in Eritrea zou verblijven. Verder maakt de enkele omstandigheid dat eiser in de gehoren de topografische vragen goed heeft beantwoord niet dat verweerder eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig heeft moeten vinden. De omstandigheid dat eiser (enige) kennis heeft over een land of woonomgeving zegt immers nog niets over een (langdurig) verblijf aldaar. Dit kan bovendien eenvoudig via diverse bronnen worden verkregen.
7.2.
Verweerder heeft eiser verder terecht tegengeworpen dat hij tijdens het herkomstonderzoek tegenstrijdig heeft verklaard over de reis van Emba Qatsa naar de hoofdstand Asmara. Eiser heeft verklaard dat de reis met de auto ongeveer drie uur duurt. De gemeten afstand bedraagt echter geen drie uur, maar 44 minuten. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over wat hij onderweg van Emba Qatsa naar Dbarwa tegenkomt. Uit het herkomstonderzoek is volgens verweerder gebleken dat het verre van logisch is om van Emba Qatsa te lopen op de manier hoe eiser tijdens het aanvullend gehoor (p. 8) heeft verklaard. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen tegenstrijdig met openbare informatie en uiterst onlogisch zijn.
7.3.
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers stelling dat hij alleen Tigrinya spreekt en dat hij geen enkele andere taal beheerst niet aantoont dat hij daadwerkelijk afkomstig is uit Eritrea en de Eritrese nationaliteit heeft. Het Tigrinya wordt namelijk niet alleen gesproken door 2,5 miljoen mensen in Eritrea, maar ook door 4,3 miljoen mensen in Ethiopië. Ook als verweerder een taalanalyse zou laten doen en daarbij onderzoek zou worden gedaan naar het dialect dat eiser spreekt, kan dus niet worden uitgesloten dat eiser afkomstig is uit Ethiopië. Dit mede omdat verweerder niet ten onrechte vraagtekens heeft geplaatst bij eisers verklaringen over het gebied waar hij zou hebben gewoond.
7.4.
Nu eiser, terwijl hij kennelijk wel in contact staat met zijn moeder in Eritrea, geen stukken heeft verstrekt die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onderbouwen, hij in dit kader wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en niet is gebleken van verdere inspanningen om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft het asielmotief ‘dienstplicht en daaruit voortvloeiende illegale uitreis’ daarom niet hoeven toetsen op geloofwaardigheid.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000