ECLI:NL:RBDHA:2026:17604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.20528
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en ontbreken procesbelang

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure is vastgesteld dat eiser op 20 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek aanvankelijk aangehouden in afwachting van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over de mensenrechtensituatie in Ethiopië. Na heropening van het onderzoek en schriftelijke reacties van partijen, heeft eiser en zijn gemachtigde zich afgemeld voor de zitting van 1 juni 2026.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Dit volgt uit vaste rechtspraak dat vertrek met onbekende bestemming zonder contact met de gemachtigde impliceert dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de procedure.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20528

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Muijlkens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank te kennen gegeven de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de mensenrechtensituatie in de [regio] in Ethiopië.
2.3.
De Afdeling heeft in die zaken op 17 december 2025 uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:6058 en ECLI:NL:RVS:2025:6187). De rechtbank heeft het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op deze uitspraken en een standpunt in te nemen over wat dit voor deze procedure betekent.
2.4.
Partijen hebben schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het beroep daarna op 1 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 25 maart 2026, naar aanleiding van het onderzoek of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuld beleid, een besluit genomen. Hierin heeft de minister vermeld dat eiser op 20 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
3.1.
Op 28 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser zich afgemeld voor de zitting van 1 juni 2026 en daarbij medegedeeld al geruime tijd geen contact meer te hebben met eiser.
3.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [2] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3.3.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.