Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL24.51826
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c VwArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens ontbreken refoulementbeoordeling

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, kreeg een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd nadat zijn asielaanvraag buiten behandeling werd gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze besluiten, stellende dat verweerder geen toetsing had verricht aan het non-refoulementbeginsel en zijn gezondheidssituatie.

De rechtbank oordeelt dat verweerder verplicht was een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken vóór uitvoering van het terugkeerbesluit, zoals bevestigd in het arrest Ararat van het HvJ EU en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Verweerder heeft dit nagelaten, met de onjuiste reden dat bij buitenbehandelingstelling geen beoordeling nodig zou zijn.

Daarom vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure, is verweerder niet meer bevoegd een nieuw terugkeerbesluit te nemen. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van eiser.

De rechtbank ziet af van een inhoudelijke toetsing aan artikel 8 EVRM Pro en de gezondheidssituatie van eiser, nu het terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden vernietigd wegens het ontbreken van een refoulementbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.51826
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1999, van Afghaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post).

Inleiding

1.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het besluit van 20 december 2024 buiten behandeling gesteld. Hierbij is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Eiser moet terugkeren naar Afghanistan.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft op 30 mei 2024 asiel aangevraagd. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers blijkt dat eiser op 25 juni 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is op 22 november 2024 door Duitsland, als gevolg van de Dublinverordening, overgedragen aan Nederland.
3. Met het voornemen van 3 december 2024 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat verweerder van plan is te besluiten dat zijn asielaanvraag buiten behandeling wordt gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. [1] Ook krijgt eiser een terugkeerbesluit naar Afghanistan en een inreisverbod voor de duur van twee jaren.
4. In de zienswijze op het voornemen heeft eiser aangevoerd dat zijn terugkeer naar Afghanistan strijd met het verbod op refoulement of artikel 3 van Pro het EVRM [2] zal opleveren. Bij het opleggen van een terugkeerbesluit moet hier onderzoek naar worden gedaan.
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Nadat eiser samen met zijn zus door de Duitse autoriteiten aan Nederland is overgedragen als gevolg van de Dublinverordening, zijn eiser en zijn zus zelfstandig vertrokken. Eiser heeft zich na het voornemen niet gemeld bij de bevoegde autoriteiten in Nederland met de vraag om zijn asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. Het terugkeerbesluit is volgens verweerder niet in strijd met het non-refoulement beginsel. De handelswijze van eiser, het met onbekende bestemming vertrekken, geeft volgens verweerder namelijk aanleiding om aan te nemen dat het terugkeerbesluit kan worden genomen zonder schending van het beginsel van non-refoulement. De enkele stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met het non-refoulementbeginsel verandert dit niet. Er wordt niet getoetst aan artikel 3 van Pro het EVRM omdat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Verder blijft verweerder bij het voorgenomen inreisverbod voor de duur van twee jaren omdat eiser hierover geen zienswijze heeft ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

6. De buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser is niet in geschil. Eiser wil namelijk niet dat zijn asielaanvraag door Nederland, maar door Duitsland wordt behandeld. Duitsland heeft de asielaanvraag van eiser inmiddels in behandeling genomen. Het beroep richt zich enkel tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank zal in deze uitspraak dan ook alleen het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod beoordelen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Geen toetsing aan non-refoulement, artikel 3 van Pro het EVRM en eisers gezondheidssituatie
7. Eiser kan zich niet verenigen met het opgelegde terugkeerbesluit. Hij wijst erop dat uit de motivering van het voornemen en de beschikking niet blijkt dat een toetsing heeft plaatsgevonden aan het non-refoulement beginsel, artikel 3 van Pro het EVRM en de gezondheidssituatie (epilepsie) van eiser.
8. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Ararat [3] heeft het HvJ EU geoordeeld dat de nationale autoriteit verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. De Afdeling [4] heeft vervolgens overwogen dat verweerder in dat verband een onderzoeksplicht heeft en op basis van gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [5]
9. Het bestreden besluit bevat geen refoulementbeoordeling. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke beoordeling niet hoeft te worden gemaakt wanneer een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat het met onbekende bestemming vertrekken wordt opgevat als een impliciete intrekking van de asielaanvraag.
10. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Ararat geen concrete aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat verweerder in dit geval geen refoulementbeoordeling hoefde te maken. [6] Er is tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waardoor het op de weg van de verweerder had gelegen te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde terugkeerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit ten onrechte niet gedaan. Daarom zal de rechtbank het terugkeerbesluit en het inreisverbod vernietigen. Zoals de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft bevestigd, is verweerder ook niet meer bevoegd tot het nemen van een nieuw terugkeerbesluit, nu Duitsland inmiddels verantwoordelijk is voor de verdere afhandeling van het asielverzoek van eiser.
Het gezinsleven van eiser
11. Nu het terugkeerbesluit en inreisverbod worden vernietigd, komt de rechtbank aan de beroepsgronden met betrekking tot schending van artikel 8 van Pro het EVRM niet toe.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat verweerder ten onrechte geen refoulementbeoordeling heeft gemaakt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11594 en 24 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10942.