ECLI:NL:RBDHA:2026:17644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33340
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 5.10 VbArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel wegens ontbrekende handtekening

Eiser, met de Saoedi-Arabische nationaliteit, werd op 12 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel, omdat deze niet voorzien is van een (digitale) handtekening, waardoor geen geldig besluit tot stand zou zijn gekomen.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel in het dossier niet is ondertekend. De minister gaf aan dat er op de dag van oplegging een technische storing was bij de Koninklijke Marechaussee, waardoor ondertekening met een digitale handtekening niet mogelijk was. Nadere informatie over een handmatige ondertekening en uitreiking aan eiser ontbreekt. De rechtbank concludeert dat niet kan worden vastgesteld of de maatregel rechtsgeldig is en gaat ervan uit dat dit niet het geval is.

Omdat het hier gaat om vrijheidsontneming, is sprake van een ernstig gebrek en is de maatregel onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 25 juni 2026 en kent een schadevergoeding toe van €1.680,- voor 14 dagen onrechtmatige detentie. Tevens worden proceskosten van €1.868,- aan eiser toegekend. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en kent schadevergoeding en proceskosten toe aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33340

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 juni 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Achamlale als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. Eiser heeft de Saoedi-Arabische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2002.
4. Eiser voert aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is omdat een (digitale) handtekening op de maatregel ontbreekt. Dat betekent dat er geen geldig besluit tot stand is gekomen en geen geldige inbewaringstelling heeft plaatsgevonden.
4.1.
Uit artikel 5.10 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) (voorheen artikel 5.3 Vb) blijkt dat een rechtsgeldige vrijheidsontnemende maatregel pas tot stand komt als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt bovendien onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel die zich in het dossier bevindt niet is ondertekend. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat er op 12 juni 2026 bij de KMar sprake was van een technische storing, waardoor het niet mogelijk was om de maatregel met een digitale handtekening te ondertekenen. De minister is nog in afwachtging van een aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt dat de maatregel met de hand is ondertekend en dat eiser deze maatregel, voorzien van een natte handtekening, ook heeft gekregen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gecontroleerd of de vrijheidsontnemende maatregel daadwerkelijk is ondertekend en of eiser deze ondertekende maatregel ook heeft gekregen. Het is aan de minister om hierover informatie in het dossier te plaatsen en nu de minister voldoende tijd heeft gehad om nadere informatie te verstrekken, zal de rechtbank ervan uitgaan dat er geen rechtsgeldige maatregel tot stand is gekomen. Eiser is dus zonder geldige titel in bewaring gesteld. Omdat het gaat om vrijheidsontneming is er sprake van een ernstig gebrek. Voor een belangenafweging is in dit geval geen ruimte. [2] De beroepsgrond slaagt.
5. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 25 juni 2026. Omdat de maatregel vanaf het moment van opleggen onrechtmatig is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
5.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel ten bedrage van 14 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.680,-.
5.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.680,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 25 juni 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278 en van 19 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3767.