ECLI:NL:RBDHA:2026:17659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20069 en NL26.20070
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, een Sierra Leoonse staatsburger, diende op 20 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, aangezien eiser eerder in Frankrijk asiel had aangevraagd.

Eiser voerde aan dat het besluit onevenredige hardheid oplevert en onvoldoende is gemotiveerd, onder meer vanwege zijn medische situatie (Hepatitis) en het feit dat hij in Frankrijk is uitgeprocedeerd en vreest te worden teruggestuurd naar Sierra Leone. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere uitspraken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, mede omdat eiser geen concrete gronden heeft aangevoerd die het vermoeden van correcte behandeling in Frankrijk weerleggen. Ook is niet gebleken dat eiser bijzondere, individuele omstandigheden heeft die overdracht naar Frankrijk onevenredig hard maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Frankrijk is terecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20069 en NL26.20070
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 mei 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20070) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiser heeft op 20 november 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser acht het besluit van onevenredige hardheid en onvoldoende gemotiveerd. Hij voert aan dat hij recente medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij last heeft van Hepatitis. Daarnaast is hij uitgeprocedeerd in Frankrijk en gaat hij ervan uit dat hij, na overdracht naar Frankrijk, zal worden teruggestuurd naar Sierra Leone.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Frankrijk bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 [3] en 27 november 2025 [4] . Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest.
5.1
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat eiser medische zorg in Frankrijk kan krijgen. Voor zover eiser stelt dat hij deze zorg voor een korte periode zal ontvangen en hierna zal worden uitgezet naar Sierra Leone, omdat hij is uitgeprocedeerd in Frankrijk is het volgende van belang. Niet in geschil is dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft hier immers geen concrete gronden tegen aangevoerd. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan de toets of sprake is van indirect refoulement, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [5] Eiser kan zich bij problemen ten aanzien van de Franse asielprocedure wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties in Frankrijk. Overigens geldt in zijn algemeenheid dat eiser, als hij is uitgeprocedeerd, moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Niet is gebleken dat de Franse autoriteiten hem daarbij niet kunnen helpen.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank verwijst hierbij naar wat in rechtsoverweging 5.1. is overwogen. Eiser was verder niet op zitting aanwezig om een en ander toe te lichten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.