ECLI:NL:RBDHA:2026:17663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 DublinverordeningArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat hij in Frankrijk mensonterend is behandeld, wat heeft geleid tot ernstige lichamelijke en psychische klachten, waaronder suïcidegedachten.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Nederland mag aannemen dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is, mede omdat hij geen medische stukken heeft overgelegd die een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bij overdracht aantonen.

Verder is niet gebleken dat de medische voorzieningen in Frankrijk ontoereikend zijn of dat eiser daar geen toegang toe heeft. De rechtbank concludeert dat de overdracht aan Frankrijk niet leidt tot een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en de overdracht aan Frankrijk is bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29546

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 27 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 november 2024 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [2] de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 6 mei 2026 geaccepteerd.
3. Eiser stelt in beroep dat hij uitgebreid heeft verklaard over de mensonterende situatie gedurende zijn verblijf in Frankrijk, die heeft geresulteerd in lichamelijke en ernstige psychische klachten bij eiser en hebben geleid tot suïcidegedachten in verband met een mogelijk aanstaande terugkeer naar Frankrijk. [3] Deze klachten kan eiser niet onderbouwen vanwege de onzekere vreemdelingrechtelijke situatie waarin hij verkeert. Verweerder heeft deze omstandigheden niet zichtbaar inhoudelijk in de besluitvorming betrokken en gaat voorbij aan de door eiser beschreven slechte behandeling door te vermelden dat eiser een klacht kan indienen bij de Franse autoriteiten. Eiser heeft hierover verklaard in Frankrijk te hebben geklaagd, maar verweerder laat na om te motiveren waarom deze verklaring niet wordt gevolgd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [4] Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) met de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM [5] of artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Daarnaast hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan eiser zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Ook is niet gebleken dat de Franse autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen helpen. Dat eiser daadwerkelijk heeft geklaagd, heeft hij niet met stukken onderbouwd.
5. Uit het arrest C.K. [7] volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en de onomkeerbare gevolgen daarvoor bij een overdracht aan te tonen. Eiser is hierin niet geslaagd. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische documenten heeft overgelegd waaruit volgt dat sprake is van lichamelijke of psychische klachten, dan wel dat er een suïciderisico bestaat of dat dit risico als gevolg van eisers overdracht reëel of hoog is ingeschat. De enkele stelling dat eiser deze klachten niet met objectieve stukken kan onderbouwen vanwege de onzekere vreemdelingrechtelijke situatie waarin hij verkeert, maakt het bovenstaande niet anders.
6. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om hem te behandelen of dat de medische behandeling die hij nodig heeft niet in Frankrijk aanwezig en toegankelijk is. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze ook ter beschikking staan van eiser als Dublinclaimant. [8] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie anders is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een overdracht van eiser aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers medische situatie of anderszins tot een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297.
4.Zie de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127).
8.Uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.